ECLI:NL:RBROT:2008:BC9787
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Hoofdelijk betalingsveroordeling wegens niet-nakoming kredietovereenkomst met Finata Bank
Finata Bank heeft een kredietovereenkomst gesloten met twee gedaagden, waarbij een kredietlimiet van €9.000,- is overeengekomen. De bank heeft betalingen gedaan op 12 juli 2002 en 16 januari 2003, welke door de gedaagden zijn ontvangen. De gedaagden zijn echter tekortgeschoten in de nakoming van hun betalingsverplichtingen, waardoor de vordering opeisbaar is gesteld.
De gedaagden betwistten onder meer het bestaan van de kredietovereenkomst en de hoogte van de vordering, met name door het ontbreken van een goedschrift en betwisting van de betalingsopbouw. De rechtbank oordeelde dat het ontbreken van het oorspronkelijke contract uit 2002 onvoldoende is om het bestaan van de overeenkomst te ontkennen, mede omdat de ontvangst van de gelden niet werd betwist.
Verder werd vastgesteld dat de gedaagden ten minste twee maandelijkse termijnen niet hebben betaald en dat de bank het openstaande saldo heeft opgeëist. De rechtbank wees het verweer van de gedaagden af, kende de vordering toe tot een bedrag van €5.531,38 vermeerderd met de kredietvergoeding conform de Wet op het Consumentenkrediet, en veroordeelde hen hoofdelijk in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Gedaagden worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van €5.531,38 met kredietvergoeding en proceskosten.