ECLI:NL:RBROT:2008:BC9811
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.N. van Zelm van Eldik
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheids- en aanhoudingsincident in internationale wegvervoerzaak
In deze zaak staat een internationaal bevoegdheidsincident centraal in een procedure over aansprakelijkheid van een wegvervoerder op grond van de CMR. De kernvraag was welk gerecht bevoegd is, waarbij een Duitse procedure en een Nederlandse procedure over hetzelfde voorval aanhangig zijn.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de Nederlandse procedure eerder is ingesteld dan de Duitse, waarbij de Duitse procedure pas op 9 februari 2006 aanhangig werd gemaakt volgens Duits recht. Hierdoor is de Nederlandse rechtbank bevoegd en wordt de vordering tot onbevoegdheid afgewezen.
Subsidiair verzocht KE om aanhouding van de Nederlandse procedure totdat in Duitsland in hoogste instantie is beslist. De rechtbank overweegt dat de CMR geen regeling kent voor connexiteit, en dat toepassing van artikel 28 EEX Pro-Verordening niet verplicht is omdat de Nederlandse procedure eerder is ingesteld. Daarom wijst de rechtbank ook deze aanhoudingsvordering af.
KE wordt veroordeeld in de proceskosten, terwijl de zaak wordt verwezen naar de rol voor verdere behandeling. De uitspraak benadrukt de toepassing van nationaal recht voor aanhangigheid en de terughoudendheid bij toepassing van internationale regels voor samenhangende procedures.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen tot onbevoegdheid en aanhouding af en veroordeelt KE in de proceskosten.