ECLI:NL:RBROT:2008:BD6863
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op onvoorziene omstandigheden na bedrijfsovername en uitleg non-concurrentiebeding
In deze civiele zaak tussen twee besloten vennootschappen staat de nakoming van een overeenkomst betreffende de verkoop van activa centraal. [Eiseres] vordert betaling van maandelijkse transactievergoedingen zoals overeengekomen, terwijl [gedaagde] zich beroept op onvoorziene omstandigheden en stelt dat de overeenkomst gewijzigd moet worden. Daarnaast is er een geschil over het gebruik van handelsnamen en een non-concurrentiebeding.
De rechtbank overweegt dat de door [gedaagde] aangevoerde omstandigheden geen onvoorziene omstandigheden zijn in de zin van artikel 6:258 BW Pro, omdat deze al in de overeenkomst zijn geregeld of niet voldoende concreet zijn onderbouwd. Ook het beroep op verrekening met een vordering wegens bestuurdersaansprakelijkheid wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
Ten aanzien van het non-concurrentiebeding oordeelt de rechtbank dat de verplichtingen tot wijziging van handelsnamen beperkt zijn tot bepaalde partijen en dat [eiseres] niet gehouden is om op te treden tegen het gebruik van de handelsnaam door gelieerde vennootschappen. De vordering van [gedaagde] tot boete wegens vermeende inbreuk op dit beding wordt afgewezen.
De rechtbank veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de gevorderde transactievergoedingen en rente, wijst de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten af en veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten. De reconventionele vordering van [gedaagde] wordt eveneens afgewezen.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de overeengekomen transactievergoedingen en wijst het beroep op onvoorziene omstandigheden af.