ECLI:NL:RBROT:2008:BD7172
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.J.A.M. Ahsmann
- Rechtspraak.nl
Vordering wettelijke rente na vonnis zonder ingebrekestelling niet vereist
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of een ingebrekestelling vereist is voor de verschuldigdheid van wettelijke rente na een vonnis. De eiseres was bij vonnis van 4 maart 1999 reeds veroordeeld tot betaling van een bedrag aan de eiseres, maar had destijds geen rente gevorderd. De eiseres vorderde alsnog wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding, dan wel vanaf het vonnis of vanaf een latere datum waarop zij aanspraak maakte via een faxbericht.
De gedaagde voerde verweer dat een ingebrekestelling vereist was en dat de vordering tot betaling van rente verjaard was voor zover deze betrekking had op rente vóór 7 oktober 1999. Tevens stelde hij dat hij reeds een bankgarantie had gesteld ter voldoening van een groot deel van de vordering en dat de procedure onnodig was gestart.
De rechtbank overwoog dat de verschuldigdheid van het bedrag uit het vonnis terstond bestaat en dat een nadere ingebrekestelling niet vereist is. De wettelijke rente is derhalve verschuldigd vanaf de datum van het vonnis, niet vanaf de dagvaarding. De verjaring van de rentevordering is gestuit door de schriftelijke mededeling van 7 oktober 2004, waardoor rentevordering voor de periode vóór 7 oktober 1999 is verjaard en afgewezen wordt. Het verweer omtrent de bankgarantie werd wegens te late ingebracht verworpen.
De rechtbank veroordeelde de gedaagde tot betaling van wettelijke rente over het bedrag van € 26.999,92 vanaf 7 oktober 1999 tot aan de dag der voldoening en in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Gedaagde is veroordeeld tot betaling van wettelijke rente vanaf 7 oktober 1999 over het bedrag van € 26.999,92.