ECLI:NL:RBROT:2008:BD8523
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing boeteoplegging bouwfraude GWW-sector met ijkjaarcorrectie
De zaak betreft een boeteoplegging door de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) aan een bouwbedrijf wegens overtreding van artikel 6 van Pro de Mededingingswet en artikel 81 van Pro het EG-Verdrag in de grond-, weg- en waterbouwsector (GWW). Het bouwbedrijf had deelgenomen aan verboden vooroverleg bij aanbestedingen, hetgeen leidde tot een boete gebaseerd op de aanbestedingsomzet van 2001 als ijkjaar.
Eiseres maakte bezwaar tegen de boetegrondslag en de toepassing van de ijkjaarcorrectie, stellende dat haar omzet in 2001 niet representatief was en dat zij vooral via openbare aanbestedingen werkte waarbij minder sprake was van vooroverleg. De rechtbank oordeelde dat verweerder binnen zijn beleidsruimte de keuze voor de aanbestedingsomzet 2001 als boetegrondslag mocht maken en dat deelname aan de versnelde procedure de feiten vaststelde.
Echter, de rechtbank stelde vast dat verweerder de motivering van de ijkjaarcorrectie niet tijdig en voldoende inzichtelijk had gemaakt, waardoor het bestreden besluit in strijd was met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Desondanks liet de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit in stand vanwege de inmiddels verstrekte nadere motivering.
Verder werd geoordeeld dat de redelijke termijn voor besluitvorming niet was overschreden gezien de complexiteit en omvang van het onderzoek. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen en veroordeelde verweerder in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het boetebesluit vernietigd wegens onvoldoende motivering van de ijkjaarcorrectie, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.