ECLI:NL:RBROT:2008:BD8550
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing boeteoplegging bouwfraude GWW-sector met vernietiging wegens onvoldoende motivering ijkjaarcorrectie
De zaak betreft een bestuursrechtelijk beroep van Bouwhuis Aannemingsmaatschappij "Bouwmij" B.V. tegen een boetebesluit van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) wegens overtreding van artikel 6 van Pro de Mededingingswet en artikel 81 EG Pro-Verdrag in de GWW-sector. Het boetebesluit is genomen in het kader van de bouwfraudeonderzoeken, waarbij een systeem van vooroverleg en kartelvorming is vastgesteld.
Bouwmij maakte bezwaar tegen het boetebesluit en stelde onder meer dat de gehanteerde boetegrondslag (aanbestedingsomzet 2001) niet representatief was en dat de ijkjaarcorrectie onvoldoende was gemotiveerd. Tevens voerde zij aan dat de voorwaarden van de versnelde procedure onrechtmatig waren gewijzigd, dat haar rechten van verdediging waren geschaad, en dat zij onterecht geen clementiekorting, fiscuskorting, boetevermindering voor kleine bedrijven en betalingsregeling had gekregen.
De rechtbank oordeelt dat de feiten en deelname aan het kartelsysteem door Bouwmij geacht worden vast te staan door deelname aan de versnelde procedure. De keuze voor de boetegrondslag en het jaar 2001 als ijkjaar is niet onredelijk, maar de motivering van de ijkjaarcorrectie in het bestreden besluit is onvoldoende, waardoor het besluit vernietigd wordt. De rechtbank handhaaft de boeteverminderingen en het beleid omtrent clementie, fiscuskorting, boetevermindering kleine bedrijven en betalingsregeling, en wijst het beroep op het gelijkheidsbeginsel af. De rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand en verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het bestreden boetebesluit wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van de ijkjaarcorrectie, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.