ECLI:NL:RBROT:2008:BD9245
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid gemeente tot invordering bestuursdwangkosten verjaard na vijf jaar
De gemeente Rotterdam had in 1998 bestuursdwang toegepast om voorzieningen aan een pand te treffen en de kosten daarvan bij de toenmalige eigenaar in rekening gebracht. Nadat het pand in 2000 was overgedragen aan opposant, stelde de gemeente in 2004 en 2005 betalingsverzoeken aan opposant, die deze niet ontving. Pas in 2007 werd het dwangbevel betekend.
Opposant stelde dat de vordering verjaard was omdat meer dan vijf jaar waren verstreken sinds de vordering opeisbaar was. De gemeente betoogde dat een verjaringstermijn van twintig jaar van toepassing was omdat het een vordering uit de wet betrof.
De rechtbank oordeelde dat op grond van artikel 3:326 BW Pro de verjaring van vijf jaar uit boek 3 BW toepasselijk is, omdat het ging om een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis tot een geven. Omdat meer dan vijf jaar waren verstreken tussen opeisbaarheid en betekening van het dwangbevel, was de bevoegdheid tot invordering verjaard.
Het dwangbevel werd daarom buiten effect gesteld en de gemeente werd veroordeeld in de proceskosten. De overige geschilpunten werden niet behandeld vanwege het slagen van het verjaringsverweer.
Uitkomst: De bevoegdheid van de gemeente tot invordering van bestuursdwangkosten is verjaard, waardoor het dwangbevel buiten effect wordt gesteld.