ECLI:NL:RBROT:2008:BF7620
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.A. van Biesbergen
- K. Visser
- W.A.F. Damen
- Rechtspraak.nl
Openbaar ministerie niet-ontvankelijk wegens schending eerlijk proces bij verhoren in Turkije
De rechtbank Rotterdam behandelde een strafzaak tegen verdachte wegens betrokkenheid bij de Koerdische Arbeiderspartij (PKK) en aanverwante strafbare feiten. Tijdens de procedure bleek dat getuigen in Turkije werden gehoord zonder dat Nederlandse advocaten hierbij aanwezig mochten zijn. De rechtbank stelde vast dat dit een schending van het recht op een eerlijk proces inhoudt zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
Ondanks inspanningen van het openbaar ministerie en het ministerie van Justitie om het rechtshulpverzoek te effectueren, werd dit door Turkse autoriteiten definitief afgewezen. De weigering om Nederlandse advocaten toe te laten bij de verhoren van getuigen, waaronder Turkse overheidsdienaren en oud-PKK-strijders, maakte dat de verdediging haar rechten niet adequaat kon uitoefenen.
De rechtbank oordeelde dat een afgezwakte vorm van het recht om vragen te stellen onvoldoende compensatie bood, zeker omdat deze getuigen het hart van de zaak vormden. Hierdoor was geen sprake meer van een eerlijk proces en werd het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard. De zaak kende een sterke politieke lading, maar de waarborgen van het EVRM gelden ook in dergelijke zaken.
De tenlastelegging betrof deelname aan een terroristische organisatie, valsheid in geschrifte, werving voor vreemde krijgsdienst en andere strafbare feiten in Nederland in de periode 2004. De rechtbank was bevoegd en de dagvaarding was geldig, maar de procedurele schending leidde tot niet-ontvankelijkheid van het OM.
Uitkomst: Het openbaar ministerie werd niet-ontvankelijk verklaard wegens schending van het recht op een eerlijk proces door het niet toelaten van Nederlandse advocaten bij getuigenverhoren in Turkije.