ECLI:NL:RBROT:2008:BG7250
Rechtbank Rotterdam
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Beslag op zeeschip alleen mogelijk voor zeerechtelijke vordering
In deze zaak vordert eiser op grond van het Beslagverdrag uit 1952 de opheffing van het beslag op het zeeschip ms Bornrif, stellende dat het beslag slechts mogelijk is voor zeerechtelijke vorderingen. Maas Shipping GmbH betwist dit en stelt dat sprake is van een zeerechtelijke vordering. Tevens voert Maas Shipping aan dat eiser niet ontvankelijk is omdat dezelfde vordering reeds in een eerder kort geding is behandeld.
De voorzieningenrechter stelt vast dat in kort geding alle relevante stellingen van partijen in acht moeten worden genomen, ook als deze eerder hadden kunnen worden aangevoerd, tenzij sprake is van misbruik van procesrecht. Omdat eiser het argument dat het geen zeerechtelijke vordering betreft niet eerder had aangevoerd vanwege een vergissing van zijn advocaat, is geen misbruik van procesrecht aanwezig.
De rechter oordeelt dat de vordering waarop het beslag is gebaseerd geen zeerechtelijke vordering is, maar een vordering uit onrechtmatige daad die niet onder de categorieën van het Beslagverdrag valt. Daarom wordt de primaire vordering van eiser toegewezen en het beslag op het ms Bornrif opgeheven.
Maas Shipping GmbH wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en is gewezen door voorzieningenrechter C. Bouwman.
Uitkomst: Het beslag op het ms Bornrif wordt opgeheven omdat de vordering geen zeerechtelijke vordering betreft.