ECLI:NL:RBROT:2008:BH1728
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- P.F.G.T. Hofmeijer - Rutten
- Rechtspraak.nl
Nietigheid hypotheekverlening wegens benadeling faillissementscrediteuren en uitleg artikel 20 ABV
De zaak betreft een geschil tussen de curator in het faillissement van een onderneming en ING Bank over de geldigheid van een hypotheekverlening als zekerheid voor een kredietfaciliteit. De rechtbank beoordeelt of ING terecht een beroep deed op artikel 20 van Pro de algemene bankvoorwaarden (ABV) en of de hypotheekverlening een onverplichte rechtshandeling was die de faillissementscrediteuren heeft benadeeld.
De rechtbank stelt vast dat de kredietnemers in 2001 voldoende zekerheid hadden gesteld en dat de brief van ING uit 2003 geen geldig verzoek tot aanvulling of vervanging van zekerheden inhield zoals vereist door artikel 20 ABV Pro. De waarde van de zekerheden was niet substantieel verminderd, waardoor ING geen beroep toekomt op artikel 20 ABV Pro. De hypotheekverlening wordt daarom als onverplicht aangemerkt.
Vervolgens oordeelt de rechtbank dat door deze onverplichte rechtshandeling de faillissementscrediteuren zijn benadeeld, omdat ING zich door het vestigen van het hypotheekrecht een preferente positie verschafte ten koste van de gezamenlijke schuldeisers. ING was op de hoogte van de slechte financiële situatie van de kredietnemer. De rechtbank verklaart de hypotheekverlening nietig en veroordeelt ING tot betaling van een bedrag van €58.498,30 aan de curator, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten.
Uitkomst: De hypotheekverlening aan ING wordt nietig verklaard en ING wordt veroordeeld tot betaling van €58.498,30 plus rente en proceskosten.