ECLI:NL:RBROT:2009:BH3194
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzet tegen executoriaal beslag van de Belastingdienst wegens onherroepelijke belastingaanslagen
In deze civiele procedure heeft eiser verzet ingesteld tegen een executoriaal beslag dat de Belastingdienst op 21 november 2007 op zijn roerende zaken heeft gelegd. Het beslag betreft de invordering van diverse belastingaanslagen over de jaren 1996 tot en met 2000, waarvan een deel onherroepelijk vaststaat en een ander deel betwist wordt door middel van bezwaar of betaling.
Eiser voerde aan dat hij niets meer aan de Belastingdienst verschuldigd zou zijn en stelde dat het beslag ten onrechte is gelegd. Hij baseerde zich onder meer op vermeende betalingen en een vordering op de Belastingdienst. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende concrete feiten had gesteld die konden leiden tot het oordeel dat hij niets meer verschuldigd was. Tevens is het beroep op niet-ontvangst van aanslagen verworpen op grond van artikel 17 lid 3 Invorderingswet Pro 1990.
De rechtbank stelde vast dat de aanslagen met nummers 99384188S00, 99384188H06, 99384188F029501, 99384188F020501 en 99384188F037240 onherroepelijk vaststaan en dat eiser nog een aanzienlijk bedrag aan de Belastingdienst verschuldigd is. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard en de vordering van eiser afgewezen. Eiser werd veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank wees het verzoek tot uitvoerbaar bij voorraad verklaring af omdat het verzet niet evident kansloos was.
Uitkomst: Het verzet tegen het executoriaal beslag wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.