ECLI:NL:RBROT:2009:BH3379
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- W.F. Lubberink
- Rechtspraak.nl
Hoofdelijke aansprakelijkheid na echtscheiding bij doorlopend krediet en faillissement
Op 13 september 1999 sloten DSB en echtgenoten een overeenkomst van doorlopend krediet met een bedrag van €15.647,73 en een aflossingsvrije periode van 15 jaar. Na echtscheiding op 18 februari 2002 spraken partijen af dat de man de lening zou dragen. In 2007 werd de man failliet verklaard.
De vrouw werd door DSB aangesproken voor betaling van het uitstaande bedrag inclusief rente. Zij voerde verjaring aan, stelde dat DSB geen mededeling had gedaan over rentewijzigingen en dat de man zonder haar toestemming het krediet had verhoogd, wat strijdig zou zijn met artikel 1:88 BW Pro.
De rechtbank oordeelde dat de afspraak in het echtscheidingsconvenant niet aan DSB was meegedeeld en dat DSB gerechtigd was de vrouw aan te spreken. Het beroep op artikel 1:88 BW Pro faalde omdat DSB de overeenkomst na kennisname van de echtscheiding had geblokkeerd en geen verdere opnames waren gedaan. Ook het verweer tegen de rente van 12% werd verworpen omdat de vrouw geen verzoek had gedaan om rekeningafschriften te ontvangen.
De rechtbank veroordeelde de vrouw tot betaling van €14.038,44 vermeerderd met contractuele rente en in de proceskosten. Zij kan regres nemen op haar ex-echtgenoot of diens curator.
Uitkomst: Vrouw wordt veroordeeld tot betaling van €14.038,44 plus rente en proceskosten wegens hoofdelijke aansprakelijkheid voor krediet.