ECLI:NL:RBROT:2009:BH5964
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Betalingsovereenkomst zorgverlener en redelijkheid bij dubbele DBC-facturering
In deze zaak staat de betaling van een ziekenhuisbehandeling centraal waarbij de zorgverlener, de stichting, een vergoeding vordert op basis van het DBC-systeem voor een hartcatheterisatie en stentplaatsing. De patiënt was tijdens de behandeling niet verzekerd tegen ziektekosten en ontving een factuur van de stichting voor een bedrag van € 9.521,73, waarvan slechts € 1.250 is voldaan.
De stichting stelt dat het gevorderde bedrag overeenkomt met de gebruikelijke wijze van declareren via de DBC-systematiek, die sinds 1 januari 2006 geldt. De patiënt betwist dit en voert aan dat hij dubbel betaalt omdat ook het Ruwaard van Putten Ziekenhuis een DBC opende voor het totale traject, terwijl de ingreep bij de stichting slechts twintig minuten duurde. Tevens betwist hij de hoogte van de buitengerechtelijke incassokosten.
De rechtbank erkent dat de rechtsverhouding een behandelingsovereenkomst betreft en dat de patiënt loon verschuldigd is. De rechtbank stelt vast dat de gehanteerde wijze van loonberekening in 2006 gebruikelijk was, maar dat toepassing van artikel 6:248 lid 2 BW Pro (redelijkheid en billijkheid) mogelijk tot matiging kan leiden vanwege de dubbele betaling. De rechtbank gelast nadere aktewisseling over de redelijkheid van de vordering en de hoogte van de vergoeding. Verder worden de buitengerechtelijke kosten slechts gedeeltelijk toegewezen tot een forfaitair bedrag. De verdere beslissing wordt aangehouden tot na de aktewisseling.
Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing aan voor nadere aktewisseling over redelijkheid en billijkheid bij dubbele DBC-facturering en matigt de buitengerechtelijke kosten tot een forfaitair bedrag.