ECLI:NL:RBROT:2009:BH6446
Rechtbank Rotterdam
- Raadkamer
- Janssen
- Poell
- Schukking
- Rechtspraak.nl
Schending artikel 5 lid 4 EVRM door vertraagde behandeling verzoek voortzetting ISD-maatregel
De veroordeelde is bij vonnis van 28 februari 2007 veroordeeld tot een ISD-maatregel van twee jaar. Op 12 augustus 2008 verzocht hij om een beoordeling van de noodzaak van voortzetting van deze maatregel en beëindiging indien alleen nog een straf werd uitgevoerd.
De behandeling van dit verzoek duurde bijna zeven maanden, waarbij de directeur van de inrichting pas na ruim vijf maanden een verklaring aanleverde en de raadkamer het verzoek pas na bijna twee maanden behandelde. In die tussentijd was de ISD-maatregel feitelijk verstreken, waardoor de rechtbank het verzoek niet meer inhoudelijk kon beoordelen en de veroordeelde niet-ontvankelijk verklaarde wegens gebrek aan belang.
De rechtbank stelt dat deze lange procedure niet verenigbaar is met artikel 5 lid 4 EVRM Pro, dat bepaalt dat een gedetineerde recht heeft op een spoedige rechterlijke toetsing van de rechtmatigheid van zijn detentie. De nationale procedure bevat geen termijnen voor de behandeling, maar het internationale recht vereist wel spoed. Door de vertraging is de veroordeelde de mogelijkheid ontnomen om tijdig een rechterlijk oordeel te krijgen over zijn detentie.
De rechtbank concludeert dat sprake is van een schending van artikel 5 lid 4 EVRM Pro. Omdat de materiële beslissing niet meer aan de orde was, biedt de procedure geen mogelijkheid tot compensatie. De veroordeelde wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek.
Uitkomst: De veroordeelde wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang; er is sprake van een schending van artikel 5 lid 4 EVRM door de vertraagde behandeling.