1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend of niet (voldoende) betwist, alsmede op grond van de in zoverre niet weersproken inhoud van overgelegde bewijsstukken, staat het volgende vast:
a. Bij vonnis van deze rechtbank van 11 april 2006 is [bedrijf 1] te Vlaardingen (verder [bedrijf 1]) in staat van faillissement verklaard, met aanstelling van eiser tot curator. Sinds 7 maart 2007 is [curator 2] curator.
b. [gedaagde 2] is bestuurder en enig aandeelhouder van [gedaagde 1].
c. Op 17 december 2004 is tussen [gedaagde 1], vertegenwoordigd door [gedaagde 2], en [bedrijf 1], vertegenwoordigd door haar directeur [persoon 1], een schriftelijke overeenkomst van geldlening gesloten. In die overeenkomst staat ondermeer dat door [gedaagde 1] een geldlening van € 64.900,--zal worden verstrekt ter versterking van de liquiditeitspositie van [bedrijf 1] en dat die geldlening onderdeel zal uitmaken van en gekoppeld zal zijn aan de overname door [gedaagde 1] van een pakket aandelen in [bedrijf 1] van minstens 50%. De lening is onmiddellijk opeisbaar en [bedrijf 1] dient onmiddellijk tot aflossing over te gaan bij het niet doorgaan van de overname van deze aandelen. De lening is op 24 juni 2005 gedeeltelijk achtergesteld.
d. Het bedrag van € 64.900,-- is in de periode van 29 november tot en met 17 december 2004 in vier termijnen per kas en per bank aan [bedrijf 1] betaald. In de periode van 29 december 2004 tot en met 29 november 2005 is nog in totaal € 120.875.-- aan [bedrijf 1] betaald, eveneens per bank en per kas. De overschrijvingen in 2005 vonden steeds plaats van een rekening ten name van [bedrijf 2], onder vermelding van “lening”.
Enig aandeelhoudster van [bedrijf 2] is de echtgenote van [gedaagde 2].
e. In een brief van 3 september 2005 aan [bedrijf 1], die door [persoon 1] namens [bedrijf 1] voor akkoord is getekend, heeft [gedaagde 2] bevestigd dat [persoon 1] hem in een gesprek op 2 september 2005 te kennen heeft gegeven af te zien van de verkoop van de aandelen [bedrijf 1] en dat zij vervolgens zijn overeengekomen dat alle afspraken met betrekking tot die verkoop kwamen te vervallen en de hele of gedeeltelijke overname van aandelen door [gedaagde 1] dus niet door zou gaan. Blijkens die brief is verder overeengekomen dat alle bedragen die door [gedaagde 2] aan [bedrijf 1] zijn betaald met de intentie om in een later stadium de aandelen door [gedaagde 1] te laten overnemen door [bedrijf 1] zullen worden terugbetaald. De brief gaat dan verder: “Het totaalbedrag dat door [gedaagde 2] in privé is geleend aan [bedrijf 1] is een bedrag ad. € 163.775. Dit bedrag is inclusief een achtergestelde lening van € 91.900. De achterstelling van de lening van
€ 91.900 komt hierbij dus te vervallen.”
f. In een brief van 5 september 2005 aan [bedrijf 1], die door [persoon 1] voor akkoord is getekend heeft [gedaagde 2] bevestigd dat [persoon 1] op 3 september 2005 een bedrag van € 163.775,-- schuldig heeft erkend wegens lening verstrekt door [gedaagde 2] en dat een betalingsregeling is afgesproken waarbij dat bedrag in september 2005 in drie termijnen zou worden terugbetaald.
g. Vanaf 6 juni 2005 tot en met 30 maart 2006 heeft [bedrijf 1] in termijnen in totaal
€ 185.500,-- terugbetaald, twee keer per kas en de rest per bank. De overschrijvingen gingen naar een rekening t.n.v. [ged[gedaagde 2] onder vermelding van “lening terug betalen” of woorden van gelijke strekking.
h. Op 25 oktober 2006 heeft de curator na daartoe verkregen verlof ten laste van gedaagden conservatoir (derden) beslag doen leggen onder de Fortisbank, de Rabobank en op de woning van [gedaagde 2].