ECLI:NL:RBROT:2009:BI6292
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing schorsende werking verzet tegen dwangbevel wegens kansloosheid
De zaak betreft een incident waarbij de gemeente Rotterdam verzocht om opheffing van de schorsende werking van het verzet tegen een dwangbevel uit 2007. De opposant stelde verzet in tegen het dwangbevel, maar de rechtbank constateerde dat hij reeds op 26 maart 2008 op de hoogte was van het dwangbevel en het verzet niet tijdig en onvoldoende gemotiveerd had onderbouwd.
De rechtbank overwoog dat de wetgever bij de Awb schorsende werking aan het verzet heeft verbonden, maar dat deze uitzondering kan lijden indien het verzet kennelijk kansloos is en louter bedoeld lijkt om de tenuitvoerlegging te vertragen. Gezien het ontbreken van voldoende betwisting en de late indiening van het verzet, vond de rechtbank dat het belang van de opposant bij schorsing niet opweegt tegen het belang van de gemeente.
Daarom werd de incidentele vordering van de gemeente toegewezen, de schorsing van de tenuitvoerlegging van het dwangbevel opgeheven en de opposant veroordeeld in de kosten van het incident. De hoofdzaak werd verwezen naar de rol voor verdere behandeling.
Uitkomst: De rechtbank heft de schorsende werking van het verzet tegen het dwangbevel op en veroordeelt de opposant in de kosten.