ECLI:NL:RBROT:2009:BI7012

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
28 mei 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/3288
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • T. Damsteegt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 4:6 AwbArt. 6:7 AwbArt. 10b Pensioen- en spaarfondsenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering DNB om terug te komen van onherroepelijke last onder dwangsom

De Stichting Pensioenfonds Onafhankelijke Raadgevend Actuarissen (SPORA) stelde beroep in tegen het besluit van De Nederlandsche Bank (DNB) om niet terug te komen op een onherroepelijke last onder dwangsom die op 13 juli 2006 aan SPORA was opgelegd. Deze last hield in dat SPORA bepaalde stukken moest verstrekken op grond van artikel 10b van de Pensioen- en spaarfondsenwet (PSW).

SPORA betoogde dat de last onrechtmatig was omdat deze was gebaseerd op een onjuiste wettelijke grondslag; de PSW was niet van toepassing, maar de Wet verplichte beroepspensioenregeling (Wvb). DNB erkende deze fout, maar stelde dat zij op basis van de Wvb een identieke last had kunnen opleggen. De rechtbank oordeelde dat dit geen nieuw feit of gewijzigde omstandigheid vormde die rechtvaardigde dat DNB terugkwam op het onherroepelijke besluit.

De rechtbank benadrukte dat het bezwaar en beroep zich niet richten op het oorspronkelijke besluit zelf, maar op de weigering van DNB om daarvan af te zien. Omdat er geen bijzondere omstandigheden waren die een uitzondering op de formele rechtskracht van het besluit rechtvaardigden, werd het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank zag geen aanleiding tot veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep van SPORA ongegrond en handhaaft de weigering van DNB om terug te komen op de last onder dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Sector Bestuursrecht
Enkelvoudige kamer
Reg.nr.: AWB 08/3288 BC-T2
Uitspraak in het geding tussen
Stichting Pensioenfonds Onafhankelijke Raadgevend Actuarissen, te Amsterdam, eiseres (hierna: SPORA),
en
De Nederlandsche bank N.V., verweerster (hierna: DNB),
gemachtigde: mr. A.J.P. Tillema, advocaat te Amsterdam.
1 Ontstaan en loop van de procedure
Bij besluit van 8 juli 2008 heeft DNB het bezwaar van SPORA tegen het besluit van 6 maart 2008 houdende de weigering terug te komen van het besluit van 13 juli 2006 tot oplegging van een last onder dwangsom aan SPORA, ongegrond verklaard.
Tegen het bestreden besluit heeft eiseres beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2009. DNB heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Voorts is verschenen mr. K. van Emmerik, werkzaam bij DNB. Na sluiting van het onderzoek ter zitting is [A], bestuurder van eiseres, verschenen. De rechtbank heeft hierin geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen.
2 Overwegingen
Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is, indien na een ge¬heel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. In¬ge¬volge het tweede lid van dat artikel kan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of ver¬an¬der¬de omstandigheden worden vermeld, het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan ar¬ti¬kel 4:5 van de Awb de aanvraag afwijzen onder ver¬wij¬zing naar zijn eerdere afwijzende be¬schikking.
De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit de handhaving behelst van de weigering om terug te komen van het onherroepelijke besluit van 13 juli 2006 waarin DNB eiseres een last onder dwangsom heeft opgelegd ter hoogte van maximaal € 5.000,-. Die last strekte ertoe dat eiseres alsnog stukken als bedoeld in artikel 10b van de Pensioen- en spaarfondsenwet (hierna: PSW) zou verstrekken aan DNB. Tegen dit besluit heeft eiseres geen rechtsmiddelen aangewend. Eerst bij brief van 28 december 2007 heeft eiseres DNB verzocht de lastoplegging te herzien wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag voor dat besluit en de door haar betaalde dwangsom terug te storten.
Indien, na een afwijzend besluit dat vanwege het niet of zonder succes aanwenden van rechts¬mid¬de¬len onherroepelijk is geworden, een verzoek aan het bestuursorgaan wordt gedaan om een besluit te nemen dat daarvan ten gunste van de aanvrager afwijkt, kan mede gelet op het bepaalde in de ar¬ti¬ke¬len 4:6 en 6:7 van de Awb met het tegen dat besluit en de heroverweging van dat besluit aan¬wen¬den van rechtsmiddelen niet worden bereikt dat de rechter het beroep beoordeelt alsof het rechts¬mid¬del is ingesteld tegen het oorspronkelijke afwijzende of ambtshalve genomen belastende besluit.
Gelet op het bovenstaande ziet de rechtbank aanleiding zich in beginsel te beperken tot de vraag of DNB op grond van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden niet in redelijkheid kon weigeren te¬rug te komen van het eerdere onherroepelijke besluit. Hetgeen bij de aanvraag en in bezwaar naar voren is gebracht vormt naar het oordeel van de recht¬bank geen novum als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb. De aangevoerde gronden zien immers slechts op de vraag of het besluit van 13 juli 2006 in rechte stand zou kunnen houden.
De rechtbank merkt in dit verband nog op dat het enkele feit dat DNB inmiddels zelf heeft erkend dat de PSW geen grondslag bood voor de last onder dwangsom, omdat DNB nadien heeft geoordeeld dat eiseres viel onder de Wet verplichte beroepspensioenregeling (hierna: Wvb), voor DNB geen aanleiding hoefde te vormen om ook buiten de aanwezigheid van nova terug te komen van haar besluit van 13 juli 2006. DNB heeft in het besluit van 6 maart 2008 immers overwogen dat op grond van de toepasselijke regels van de Wvb een last onder dwangsom met dezelfde strekking zou kunnen zijn opgelegd. Er is aldus niet sprake van een situatie dat het bestuursorgaan zelf heeft erkend dat zij achteraf gezien nimmer tot een besluit zou hebben kunnen komen met dezelfde strekking als het onherroepelijke besluit van 13 juli 2006. Er doet zich derhalve geen bijzondere situatie voor die er toe noopt een uitzondering aan te nemen op de formele rechtskracht van dat besluit.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.
3 Beslissing
De rechtbank,
recht doende:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gedaan door mr. T. Damsteegt, rechter, in tegenwoordigheid van mr. drs. R. Stijnen, griffier.
De griffier: De rechter:
Uitgesproken in het openbaar op: 28 mei 2009.
Afschrift verzonden op:
Een belanghebbende – onder wie in elk geval SPORA wordt begrepen – en DNB kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.