ECLI:NL:RBROT:2009:BI8662
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging bindend advies wegens schending hoor en wederhoor bij bankgeschil
In deze zaak heeft [gedaagde] een klacht ingediend bij de Geschillencommissie Bankzaken (GCB) tegen ING vanwege het deblokkeren en wijzigen van de tenaamstelling van haar bankrekeningen. De GCB kende een immateriële schadevergoeding van €10.000 toe aan [gedaagde], maar wees de materiële schadevergoeding af omdat de schade niet kon worden vastgesteld. ING stelde dat het bindend advies vernietigbaar was wegens schending van het beginsel van hoor en wederhoor, omdat zij niet tijdig kon reageren op een brief van de dochter van [gedaagde].
De rechtbank oordeelde dat de GCB het bindend advies diende te vernietigen omdat ING niet de mogelijkheid kreeg om te reageren op de brief van 11 juni 2007, waarin een verzoek tot immateriële schadevergoeding werd gedaan. Dit vormde een ernstig formeel gebrek dat ING nadeel toebracht. De rechtbank verwierp het verweer van ING dat de GCB haar bevoegdheden had overschreden door te oordelen dat materiële schade aan de burgerlijke rechter kan worden voorgelegd.
De rechtbank stelde vast dat het bindend advies als een vaststellingsovereenkomst moet worden gekwalificeerd en dat vernietiging slechts mogelijk is bij ernstige gebreken die leiden tot onaanvaardbare gebondenheid. De primaire vordering van ING tot vernietiging van het bindend advies werd toegewezen, terwijl de subsidiaire vordering van [gedaagde] tot vergoeding van materiële schade werd afgewezen. [gedaagde] is gebonden aan het bindend advies en kan niet opnieuw bij de burgerlijke rechter vorderen. Beide partijen werden veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het bindend advies wordt vernietigd wegens schending van hoor en wederhoor; de vordering tot materiële schadevergoeding wordt afgewezen en [gedaagde] is gebonden aan het bindend advies.