ECLI:NL:RBROT:2009:BJ1390
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- W.F. Lubberink
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering UPC en toewijzing dwangsom voor vrijgave telefoonnummer
UPC vorderde betaling van een bedrag wegens geleverde diensten aan gedaagde, die dit betwistte en een tegenvordering instelde. Gedaagde stelde dat hij geen televisiediensten had afgenomen en dat de diensten van UPC niet naar behoren functioneerden, wat door UPC werd erkend. Tevens ontbrak een contract na een testperiode digitale telefonie. Gedaagde ontving toezeggingen voor gratis diensten die niet in de boekhouding waren verwerkt en betaalde steeds wat hij verschuldigd was.
De rechtbank oordeelde dat UPC haar vordering onvoldoende had onderbouwd, mede omdat zij niet concreet had gerepliceerd op de door gedaagde overgelegde stukken en toezeggingen. Hierdoor stond niet vast dat gedaagde nog een bedrag aan UPC verschuldigd was. De vordering werd daarom afgewezen en UPC werd veroordeeld in de proceskosten.
In reconventie vorderde gedaagde vergoeding van diverse kosten en oplegging van een dwangsom aan UPC voor het vrijgeven van zijn telefoonnummer, waartoe UPC al eerder was veroordeeld maar niet volledig had voldaan. De rechtbank wees de kostenvergoedingen af wegens onvoldoende onderbouwing, maar kende de dwangsom toe tot een maximum van € 750,00. De vordering tot terugbetaling van borg werd afgewezen vanwege een eerdere executoriale titel. De kosten in reconventie werden gecompenseerd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De vordering van UPC wordt afgewezen en UPC wordt veroordeeld tot vrijgave van het telefoonnummer onder dwangsom.