ECLI:NL:RBROT:2009:BJ2968
Rechtbank Rotterdam
- Kort geding
- W.F. Lubberink
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schorsing non-concurrentiebeding na beëindiging arbeidsovereenkomst
In deze kort geding procedure vordert eiser de schorsing van een non-concurrentiebeding dat is overeengekomen met zijn werkgever, TopForce. Eiser stelt dat het beding te ruim is geformuleerd, onduidelijk en hem belemmert in zijn verdere loopbaan als SAP-specialist. Daarnaast voert hij aan dat het partnerschap niet is gerealiseerd en hij onterecht op non-actief is gesteld.
TopForce betwist de stellingen van eiser en benadrukt het belang van bescherming tegen concurrentie, mede vanwege de kennis en contacten die eiser heeft opgedaan. De werkgever heeft bovendien aangeboden het beding te beperken tot bepaalde regio's en specifieke activiteiten. De kantonrechter overweegt dat het beding rechtsgeldig is en dat de onderhandelingen over het partnerschap niet hebben geleid tot het loslaten van het concurrentiebeding.
De belangenafweging leidt ertoe dat het belang van TopForce bij het in stand houden van het beding zwaarder weegt dan het belang van eiser bij schorsing. Hoewel eiser aannemelijk maakt dat hij door het beding beperkt wordt in zijn werkmogelijkheden, is dit niet voldoende om het beding in kort geding te schorsen. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot schorsing van het non-concurrentiebeding wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.