ECLI:NL:RBROT:2009:BJ5765
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Burengeschil over erfdienstbaarheid en mandelige scheidsmuur met comparitie ter plaatse
In deze civiele zaak staat een burengeschil centraal over het gebruik van een pad en de status van een scheidsmuur tussen percelen. Gedaagden stelden dat zij een erfdienstbaarheid door verjaring hadden verkregen voor het gebruik van het pad, dat zij in 1982 hebben bestraat. De rechtbank oordeelt dat niet is voldaan aan de hoge eisen die gelden voor het ontstaan van een erfdienstbaarheid onder oud recht, mede omdat het pad uit los grind en puin bestond en er geen blijvend uitwendig teken was dat op een erfdienstbaarheid wees.
De rechtbank stelt dat de ophoging en bestrating op het perceel van eiser onrechtmatig is en schade kan veroorzaken, maar dat bewijs hierover nog moet worden geleverd. Tevens is vastgesteld dat de scheidsmuur mandelig is volgens artikel 5:62 BW Pro, wat inhoudt dat deze gemeenschappelijk eigendom is en op kosten van beide eigenaren moet worden onderhouden of vernieuwd.
De rechtbank gelast een comparitie ter plaatse om de situatie van de schuur en de scheidsmuur te beoordelen en om te bezien hoe de muur moet worden onderhouden of vernieuwd. Tevens wordt [gedaagden] de gelegenheid gegeven bewijs te leveren over het moment van bestrating van het pad. De vorderingen tot verwijdering van wilgen en grondkerende voorzieningen worden afgewezen. Verdere beslissingen worden aangehouden tot na de comparitie.
Uitkomst: Geen erfdienstbaarheid door verjaring, mandelige scheidsmuur bevestigd, comparitie ter plaatse gelast voor nader onderzoek en beslissing.