ECLI:NL:RBROT:2009:BJ9615
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verrekening van vorderingen na splitsing aandelen en ondernemingen tussen aandeelhouders
De zaak betreft een geschil tussen twee voormalige aandeelhouders over de verrekening van vorderingen na de splitsing van hun gezamenlijke ondernemingen. Partijen hadden afgesproken hun onderlinge vorderingen en schulden te verrekenen, waarbij een bedrag van €56.000,-- aan [eiser] door [gedaagde] betaald zou worden, deels direct en deels in vier jaarlijkse termijnen.
De rechtbank stelt vast dat de afspraken over verrekening en betaling zijn gemaakt en dat de eerste termijn van €9.000,-- opeisbaar is vanaf 17 juli 2008, een jaar na de aandelenoverdracht. Het beroep van [gedaagde] op opschorting van betaling faalt omdat de vorderingen reeds opeisbaar zijn en er geen samenhang is met andere vorderingen.
Daarnaast is een nadere afrekening van rekening-courantverhoudingen tussen de betrokken vennootschappen noodzakelijk, maar partijen verschillen van mening over de wijze en posten die daarin betrokken moeten worden. De rechtbank verwijst de zaak naar de rol voor nadere onderbouwing door [gedaagde] en houdt verdere beslissing aan.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de vervallen termijnen en verklaart dat de resterende termijnen aan [eiser] verschuldigd zijn.