ECLI:NL:RBROT:2009:BK5749
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing ontbindingsverzoek arbeidsovereenkomst productiepersoneel wegens onvoldoende bedrijfseconomische noodzaak
Werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst met het voltallige productiepersoneel om het werk voortaan met flexkrachten te verrichten. Verzoekster stelt dat door de economische crisis de omzet sterk is gedaald en dat het bedrijf verlies lijdt, waardoor ontslag onvermijdelijk is. Verweerder betwist de bedrijfseconomische noodzaak en wijst op het voortzetten van werkzaamheden en het behoud van drie voormannen.
De kantonrechter erkent de moeilijke financiële situatie en het onvermijdelijke snijden in het personeelsbestand, maar oordeelt dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat het ontslag van alle productiepersoneelsleden gerechtvaardigd is. Het enkel willen werken met flexkrachten vormt geen gegronde reden voor ontbinding, mede gelet op het Ontslagbesluit.
De procedure omvatte meerdere zittingen en stukken, waarbij partijen hun standpunten toelichtten. De kantonrechter benadrukt dat het aan de werkgever is om te bepalen welke werknemers ontslagen worden, maar dat het ontslag van het gehele productiepersoneel niet kan worden gerechtvaardigd zonder bewijs van het ontbreken van werk voor een harde kern.
De kantonrechter wijst het verzoek tot ontbinding af en bepaalt dat partijen elk hun eigen proceskosten dragen.
Uitkomst: Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van alle productiepersoneelsleden wordt afgewezen wegens onvoldoende aangetoonde noodzaak.