ECLI:NL:RBROT:2009:BL3950
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Betalingsvordering en nietigheidsoverwegingen bij detacheringsovereenkomst en aansluitingsovereenkomst
In deze zaak staat een geschil centraal tussen stichting WGI, die als formeel werkgever optreedt, en eenmanszaak EECR, die gebruikmaakt van de diensten van WGI. Partijen sloten drie overeenkomsten: een arbeidsovereenkomst, een detacheringsovereenkomst en een aansluitingsovereenkomst. De kern van het geschil betreft een betalingsvordering van WGI wegens niet-betaalde voorschotten en de betwisting daarvan door EECR.
EECR stelde onder meer dat de overeenkomsten nietig of vernietigbaar zijn wegens strijd met goede zeden en dwingende wetsbepalingen, dwaling, wanprestatie en onrechtmatige daad. De rechtbank oordeelde dat de drie overeenkomsten in onderlinge samenhang moeten worden bezien en dat de dubbele hoedanigheid van EECR als werkgever en werknemer verklaart dat sommige bepalingen taalkundig onlogisch lijken, maar niet tegenstrijdig zijn.
De rechtbank verwierp het beroep op nietigheid op grond van artikel 3:40 BW Pro, evenals het beroep op dwaling, omdat EECR onvoldoende feitelijk onderbouwde en niet aannemelijk maakte dat WGI de juiste stand van zaken kende of dat sprake was van een mededelingsplichtschending. Ook het betoog dat WGI zich niet als goed werkgever had gedragen en onrechtmatig had gehandeld, werd verworpen.
De vordering van WGI tot betaling van het restant voorschotbedrag van € 24.973,94, buitengerechtelijke kosten en contractuele rente werd toegewezen. De gevorderde buitengerechtelijke kosten werden gematigd tot € 1.378,02. EECR werd veroordeeld in de proceskosten in conventie en reconventie. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt EECR tot betaling van het restant voorschotbedrag, buitengerechtelijke kosten en rente, en wijst de verweren en reconventionele vorderingen af.