ECLI:NL:RBROT:2009:BL4367
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.L. de Gruijl-van Benthem
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vorderingen over kosten huishouding en kredietovereenkomst na echtscheiding
Partijen zijn in 1990 op huwelijkse voorwaarden getrouwd en zijn in 2007 gescheiden. De vrouw vordert betaling van bijdragen in de kosten van de huishouding over 2005, 2006 en 2007, alsmede toewijzing van een kredietovereenkomst aan de man. De man betwist de vorderingen en voert onder meer aan dat de vorderingen over 2005 en 2006 zijn vervallen op grond van een vervalbeding in de huwelijkse voorwaarden en dat hij over 2007 geen bijdrage verschuldigd is omdat partijen toen gescheiden leefden.
De rechtbank stelt vast dat de kosten van de huishouding betrekking hebben op een gezamenlijke huishouding, die in 2007 niet meer bestond. Daarom is over 2007 geen bijdrage verschuldigd. Het vervalbeding in de huwelijkse voorwaarden is niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid en leidt tot afwijzing van de vorderingen over 2005 en 2006, aangezien de vrouw de vordering pas in 2008 instelde.
Ten aanzien van de kredietovereenkomst is er een geschil over de vraag of de man het convenant waarin hij de schuld als eigen schuld aanvaardt, onder dwang heeft ondertekend. De man mag bewijs leveren door getuigen te laten horen. De rechtbank wijst erop dat de raadsman van de vrouw niet aanwezig was bij de ondertekening en dat het horen van raadslieden niet aan de orde is.
De proceskosten zullen worden gecompenseerd vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen. De rechtbank wijst de vorderingen van de vrouw af, behalve dat bewijslevering over dwang bij ondertekening van het convenant wordt toegestaan.
Uitkomst: De vorderingen van de vrouw worden afgewezen, behalve dat de man bewijs mag leveren over dwang bij ondertekening van het convenant.