ECLI:NL:RBROT:2009:BM9314
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing van vordering in vrijwaring wegens minnelijke regeling in hoofdzaak
In deze zaak stond een vordering in vrijwaring centraal die was ingesteld door eisers tegen gedaagde. Tussen partijen was niet in geschil dat in de hoofdzaak een minnelijke regeling was overeengekomen en dat de hoofdzaak tegen gedaagde was geroyeerd. Op grond van artikel 6:14 BW Pro hadden eisers zich verbonden hun vordering te verminderen met het bedrag dat zij van gedaagde konden vorderen.
De rechtbank oordeelde dat hierdoor gedaagde was bevrijd van haar eventuele bijdrageplicht jegens eisers, waardoor de grondslag voor de vordering in vrijwaring was komen te vervallen. De vordering in conventie werd daarom afgewezen. Tevens werd overwogen dat de gemaakte proceskosten door gedaagde als nodeloos veroorzaakt voor haar rekening kwamen, maar dat iedere partij uiteindelijk haar eigen kosten moest dragen.
Omdat de voorwaarde voor het instellen van de voorwaardelijke reconventie niet meer kon worden vervuld door het royement van gedaagde in de hoofdzaak, kwam de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de regresvordering of een proceskostenveroordeling. De vordering in vrijwaring werd derhalve afgewezen en iedere partij draagt haar eigen kosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering in vrijwaring af en bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten draagt.