ECLI:NL:RBROT:2010:BL6164
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Asscheman-Versluis
- Van der Ven
- Rapmund
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens gebrek aan bewijs voor verlengde invoer van cocaïne
De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen de verdachte die werd verdacht van het invoeren van ongeveer 2 kilogram cocaïne, waaronder verlengde invoer zoals bedoeld in artikel 1 lid 4 van Pro de Opiumwet. De cocaïne zou verborgen zijn geweest in een doos met siliconenkithouders en stoffen hoofddeksels, afkomstig uit Suriname.
Tijdens de controle werd een positieve narcotest vastgesteld op een witte substantie in een muts en een kitspuit. Monsters werden genomen en samengevoegd tot een doorsneemonster dat cocaïne bevatte. Voor een gecontroleerde aflevering werd een monster van 18 gram uit een hoedje genomen en teruggeplaatst in de doos, die later door verdachte werd opgehaald en vervoerd.
De rechtbank oordeelde dat niet met voldoende zekerheid kon worden vastgesteld dat het teruggeplaatste monster cocaïne bevatte, mede doordat het monster niet als mengmonster was aangemerkt en de samenvoeging van monsters de mogelijkheid openliet dat niet elk onderdeel cocaïne bevatte. Hierdoor kon de verdachte niet worden bewezen dat hij betrokken was bij de verlengde invoer. De verdachte werd daarom vrijgesproken.
Uitkomst: Verdachte vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs voor verlengde invoer van cocaïne.