ECLI:NL:RBROT:2010:BL6168
Rechtbank Rotterdam
- Raadkamer
- Van de Grampel
- Peeck
- De Pauw Gerlings-Döhrn
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige inverzekeringstelling wegens schending consultatierecht en vormverzuim
De verdachte, geboren in 1992 en woonachtig te Rotterdam, werd op 20 januari 2010 aangehouden en kort daarna verhoord. Tijdens het eerste verhoor werd hem gevraagd of hij een advocaat wilde spreken, wat hij ontkende. De rechtbank constateert echter dat uit het dossier niet blijkt dat de verbalisanten de verdachte adequaat hebben geïnformeerd over zijn rechten of hebben vastgesteld dat hij de consequenties van afstand doen van deze rechten kon overzien.
Op grond van jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en de Hoge Raad moet een verdachte vóór het eerste verhoor ondubbelzinnig worden gewezen op zijn recht op een advocaat. Dit recht moet vrijwillig en bewust worden opgegeven, waarbij minderjarige verdachten onder de 16 jaar dit niet zelfstandig kunnen doen. In dit geval is niet voldaan aan deze vereisten, waardoor het consultatierecht is geschonden.
Daarnaast is geconstateerd dat de melding van de inverzekeringstelling pas drie uur na het feit aan de piketcentrale is gefaxt, wat een vormverzuim oplevert. Dit vormverzuim leidt in principe tot bewijsuitsluiting van verklaringen die zijn afgelegd voordat de verdachte een advocaat kon raadplegen.
Desondanks oordeelt de rechtbank dat er ernstige bezwaren tegen de verdachte bestaan en dat de feiten ernstig genoeg zijn om tot inbewaringstelling over te gaan. Daarom wordt het hoger beroep van de officier van justitie gegrond verklaard en wordt de bewaring bevolen, maar deze wordt geschorst onder voorwaarden om de belangen van de verdachte te waarborgen.
Uitkomst: De rechtbank beveelt de bewaring van de verdachte voor veertien dagen, geschorst onder voorwaarden.