ECLI:NL:RBROT:2010:BL6518
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Zorgplicht financiële dienstverlener en toepassing Nationale Hypotheek Garantie bij hypothecaire geldlening
In deze civiele zaak staat centraal of ABN AMRO heeft gehandeld in strijd met haar zorgplicht bij het verstrekken van een hypothecaire geldlening aan [gedaagde] onder de Nationale Hypotheek Garantie (NHG). [gedaagde] vordert schadevergoeding wegens vermeende tekortkomingen van ABN AMRO, die volgens hem de NHG-voorwaarden niet correct heeft toegepast.
De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd had en dat de werkgeversverklaring niet voldeed aan de norm 11.2 van de NHG-voorwaarden, waardoor norm 11.3 van toepassing werd. ABN AMRO heeft volgens de rechtbank de toetsing aan deze norm correct uitgevoerd. Wel is vastgesteld dat ABN AMRO naliet tijdig de gevraagde jaaropgaven aan de Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen te verstrekken, wat een schending van haar zorgplicht inhoudt.
Verder is onduidelijk of [gedaagde] te goeder trouw was omtrent het niet kunnen betalen van de lening, mede vanwege een executoriaal beslag op zijn woning in verband met een ontmantelde wietkwekerij. De rechtbank draagt ABN AMRO op dit bewijs te leveren door getuigen te doen horen. De beslissing over de vorderingen wordt aangehouden totdat dit bewijs is geleverd.
De rechtbank wijst het beroep van [gedaagde] op dwaling af en oordeelt dat ABN AMRO gerechtigd is de restantvordering te innen indien zij slaagt in het bewijs dat [gedaagde] niet te goeder trouw was. De schadevergoeding aan [gedaagde] wordt afgewezen zolang niet is vastgesteld dat ABN AMRO tekort is geschoten en dat er geen eigen schuld aan de zijde van [gedaagde] is.
De procedure wordt voortgezet met bewijslevering over het beslag op de woning, waarna verdere beslissing volgt.
Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing aan en draagt ABN AMRO op bewijs te leveren over executoriaal beslag op de woning van [gedaagde].