ECLI:NL:RBROT:2010:BL8291
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- M.F.L.M. van der Grinten
- M.C. van der Kolk
- H.J.M. van der Kaaij
- Rechtspraak.nl
Toewijzing verzoek om verschoning rechter na voorafgaande vrijspraak mede-verdachte
In een strafzaak tegen een verdachte heeft de politierechter zich op 5 februari 2010 tijdens de zitting uitgesproken over haar wens tot verschoning. Deze wens ontstond nadat zij eerder die ochtend een mede-verdachte had vrijgesproken in een aanverwante zaak. De rechter achtte het mogelijk dat de schijn van partijdigheid zou ontstaan, waardoor zij zich niet meer vrij voelde om de zaak tegen de verdachte te behandelen.
De verschoningskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van de relevante processtukken, waaronder het proces-verbaal van de zitting, een brief van de officier van justitie en een fax van de raadsman van de verdachte. Zowel de officier van justitie als de raadsman van de verdachte hadden geen bezwaar tegen het verzoek om verschoning.
De rechtbank overwoog dat hoewel er geen aanwijzingen waren voor subjectieve onpartijdigheid van de rechter, de objectieve vrees voor schending van onpartijdigheid gegrond was. Dit was met name gebaseerd op de voorafgaande vrijspraak van een mede-verdachte in een gerelateerde strafzaak op dezelfde dag. De rechtbank besloot daarom het verzoek om verschoning toe te wijzen om de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter te waarborgen.
Uitkomst: Het verzoek om verschoning van de rechter wordt toegewezen vanwege de gegronde vrees voor schending van onpartijdigheid.