ECLI:NL:RBROT:2010:BM0312
Rechtbank Rotterdam
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Executiegeschil restschuld hypotheek en verjaring vordering
In deze zaak staat centraal of de vordering van Aegon op eiser wegens een restschuld van een hypotheek is verjaard en of het executoriaal beslag op het pensioen van eiser terecht is gelegd. Het onderpand is in 1981 verkocht, maar de opbrengst volstond niet om de schuld te voldoen. Aegon heeft meerdere stuitingsbrieven gestuurd, waarvan de rechtbank oordeelt dat deze rechtsgeldig zijn ontvangen via het gekozen domicilie, ondanks dat eiser verhuisd was.
De rechtbank stelt vast dat de verjaringstermijn van 30 jaar (oud BW) op 1 januari 1992 nog niet was verstreken en dat de nieuwe verjaringstermijn van 5 jaar (nieuw BW) tijdig is gestuit door de brieven gericht aan het domicilie. Hierdoor is de vordering niet verjaard. Eiser heeft niet betaald ondanks herhaalde verzoeken en overleg over een betalingsregeling.
Aegon mocht daarom executoriaal beslag leggen op het pensioen van eiser. De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van misbruik van recht door Aegon en dat het beslag niet onrechtmatig is. Het verzoek tot opheffing van het beslag wordt afgewezen. De rechtbank veroordeelt eiser in de proceskosten en benadrukt dat partijen een betalingsregeling kunnen treffen, mede gelet op de kosten van incasso en de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen.
Uitkomst: De vordering tot opheffing van het executoriaal beslag wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.