ECLI:NL:RBROT:2010:BM1181
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing loonbeslag na belangenafweging in bestuurdersaansprakelijkheidzaak
In deze zaak vordert eiser de opheffing van conservatoir beslag dat door gedaagde op hem is gelegd, waaronder een loonbeslag bij zijn werkgever en beslag op de onverdeelde helft van zijn woning. Gedaagde baseert zijn vordering op persoonlijke aansprakelijkheid van eiser als bestuurder van een failliete vennootschap voor een bedrag van € 34.767,80, dat door de vennootschap aan gedaagde verschuldigd is.
De rechtbank stelt vast dat het vonnis waarin de vennootschap is veroordeeld onherroepelijk is en dat er voldoende aannemelijk is dat eiser als bestuurder persoonlijk aansprakelijk kan zijn op grond van artikel 6:162 BW Pro. Het pretense recht van gedaagde is daarom niet summierlijk ondeugdelijk, zodat het beslag op de woning gehandhaafd blijft.
Wel acht de rechtbank aannemelijk dat het loonbeslag op de werkgever van eiser voor hem onevenredige schade veroorzaakt, waardoor het belang van eiser bij opheffing zwaarder weegt dan het belang van gedaagde bij handhaving. Daarom wordt het loonbeslag opgeheven. De proceskosten worden gecompenseerd en partijen dragen ieder hun eigen kosten.
Uitkomst: Het loonbeslag wordt opgeheven, het beslag op de woning blijft gehandhaafd.