ECLI:NL:RBROT:2010:BM1594
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid van feitelijk beleidsbepaler in faillissement RITC
In deze civiele zaak staat centraal of de gedaagde als feitelijk beleidsbepaler kan worden aangemerkt in de drie jaar voorafgaand aan het faillissement van RITC, een onderneming actief in de dakbedekkingsbranche. De rechtbank beoordeelt uitgebreid getuigenverklaringen, producties en eerdere tussenvonnissen om vast te stellen dat gedaagde, hoewel statutair geen bestuurder, feitelijk een bestuursrol vervulde naast de statutair bestuurder.
De rechtbank constateert dat gedaagde vanaf de oprichting van RITC eind 1996 een belangrijke rol speelde bij het opzetten en het beleid van de vennootschap. Hij was frequent aanwezig op het kantoor, nam deel aan vergaderingen, gaf aanwijzingen en was betrokken bij belangrijke besluiten zoals prijsbepaling, personeelsaangelegenheden en de opzet van een Poolse dochteronderneming. Diverse getuigen bevestigen zijn dominante en beleidsbepalende rol.
Hoewel gedaagde ontkent dat hij de statutair bestuurder terzijde heeft gesteld, concludeert de rechtbank dat hij zich feitelijk als bestuurder naast deze bestuurder heeft gedragen. De rechtbank gaat voorbij aan verweren van gedaagde over de geloofwaardigheid van getuigen en stelt dat het patroon van handelen voldoende bewijs vormt. Op grond hiervan wordt gedaagde aangemerkt als feitelijk beleidsbepaler in de zin van artikel 2:248 lid 7 BW Pro, waardoor hij aansprakelijk kan worden gesteld voor het tekort in het faillissement.
De zaak wordt verwezen voor een conclusie na tussenvonnis over de mate van aansprakelijkheid en de verdeling van het tekort tussen eiser en gedaagde. Het vonnis is gewezen door rechter N. Doorduijn.
Uitkomst: Gedaagde wordt aangemerkt als feitelijk beleidsbepaler en aansprakelijk gesteld op grond van artikel 2:248 BW.