ECLI:NL:RBROT:2010:BM1847

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 10/758 VWWB
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • P. van Zwieten
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:20 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens intrekking hoofdzaak

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag om bijstand. Vervolgens vroeg zij om een voorlopige voorziening om bijstand te ontvangen tot zes weken na de beslissing op het beroep. De rechtbank stelde een zitting in, maar verzoekster trok het beroep in, waarna ook het verzoek om voorlopige voorziening als ingetrokken werd beschouwd.

Verzoekster gaf later aan dat zij nog steeds spoedeisend belang had bij de voorlopige voorziening en wilde deze voortzetten in een andere beroepsprocedure tegen een eerdere intrekking van bijstand. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat het verzoek om voorlopige voorziening betrekking had op het niet tijdig beslissen op een nieuwe aanvraag, terwijl de nieuwe procedure ging over een eerdere intrekking.

Daarom ontbrak de noodzakelijke connexiteit tussen het verzoek om voorlopige voorziening en de hoofdzaak, waardoor het verzoek niet-ontvankelijk werd verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens intrekking van het beroep en gebrek aan connexiteit.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Sector Bestuursrecht
Voorzieningenrechter
Reg.nr.:
Uitspraak naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht
in het geding tussen
[A], wonende te [woonplaats], verzoekster,
gemachtigde mr B. Laurman, advocaat te Rotterdam,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder (hierna: het college).
1 Ontstaan en loop van de procedure
Bij brief van 17 februari 2010 heeft verzoekster beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag om bijstand uit hoofde van de Wet werk en bijstand door het college.
Voorts heeft verzoekster bij brief van 2 maart 2010 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat aan verzoekster bijstand zal worden verstrekt tot zes weken na de beslissing op het beroep.
De rechtbank heeft verzoekster bericht dat het beroep in de hoofdzaak met het nummer AWB 10/584 WWB door een meervoudige kamer zal worden behandeld op de zitting van 25 maart 2010. De gemachtigde van verzoekster heeft de rechtbank laten weten die datum verhinderd te zijn. Vervolgens zijn partijen uitgenodigd voor een zitting op 31 maart 2010 van de meervoudige kamer.
De gemachtigde van verzoekster heeft de rechtbank ’s-avonds 30 maart 2010 per faxbericht meegedeeld dat de mondelinge behandeling geen doorgang hoeft te vinden daar hij namens verzoekster het beroep intrekt.
Bij griffiersbrief van 31 maart 2010 zijn partijen bericht dat het beroep in de zaak AWB 10/584 WWB is ingetrokken en dat rechtbank er van uit gaat dat het verzoek om voorlopige voorziening eveneens is ingetrokken.
Bij brief van 6 april 2010 heeft de gemachtigde van verzoekster bericht dat verzoekster nog immer een spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening en dat zij de voorlopige voorziening wenst voort te zetten hangende de beroepsprocedure met kenmerk AWB 10/805 WWB.
2 Overwegingen
2.1 De voorzieningenrechter doet gelet op artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) uitspraak zonder zitting.
2.2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.3 De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster het beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft ingetrokken. Daarmee komt de connexiteit aan het verzoek te ontvallen.
Dat verzoekster inmiddels op 8 maart 2010 beroep heeft ingesteld tegen een besluit op bezwaar van het college van 25 januari 2010 ter zake van een eerdere intrekking van de bijstand maakt dit niet anders. De voorziening die door verzoekster is verzocht zag immers op het niet tijdig beslissen op een nieuwe aanvraag om bijstand en niet op de door het college in bezwaar gehandhaafde intrekking van de bijstandsuitkering.
2.4 Bij gebrek aan connexiteit met een hoofdzaak is het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk.
2.5 Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.
3 Beslissing
De voorzieningenrechter,
recht doende:
verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Aldus gedaan door mr. P. van Zwieten, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van
mr. drs. R. Stijnen, griffier.
De griffier: De voorzieningenrechter:
Uitgesproken in het openbaar op: 15 april 2010.
Afschrift verzonden op: