AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling van vrijstelling en ontheffing bouwvergunning voor onderheide parkeerplek en bestrating
Eiser maakte bezwaar tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland waarin vrijstelling en ontheffing werden verleend voor het plaatsen van een onderheide parkeerplek en bestrating op een perceel. De rechtbank oordeelt dat de besluiten rechtmatig zijn genomen en dat er geen sprake is van een niet toegestane cumulatie van vrijstelling en ontheffing, aangezien de totale oppervlakte onder de toegestane 50 m² blijft.
De rechtbank stelt vast dat eiser geen bezwaar heeft tegen het parkeren zelf, maar vreest dat vergunninghouder een garage zal realiseren zonder vergunning. Dit bezwaar acht de rechtbank niet relevant voor de beoordeling van de huidige besluiten. Ook is een kennelijke verschrijving in het besluit betreffende de wettelijke grondslag niet voldoende reden om het beroep gegrond te verklaren.
De rechtbank concludeert dat verweerder voldoende rekening heeft gehouden met het belang van eiser en dat de aanvragen en besluiten duidelijk zijn. De beroepen worden ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De beroepen tegen de verleende vrijstelling en ontheffing voor de bouwvergunning worden ongegrond verklaard.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Sector Bestuursrecht
Enkelvoudige kamer
Reg.nrs.: AWB 09/2135 en 09/2343 WRO-T1
Uitspraak in de gedingen tussen
[naam], wonende te [plaats], eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lansingerland, verweerder.
Aan het geding onder nummer 09/2343 heeft mede als partij deelgenomen: [naam] (hierna: vergunninghouder).
1 Ontstaan en loop van de procedures
(09/2343)
Bij besluit van 12 november 2008 heeft verweerder onder verlening van vrijstelling op de voet van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) in verbinding met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit op de ruimtelijk ordening 1985 (hierna: Bro 1985) bouwvergunning verleend aan [naam] voor het plaatsen van een onderheide parkeerplek van 25 m2 op het perceel Rottekade 49, kadastraal bekend sectie A. nr 2177 te Bergschenhoek (hierna: het perceel).
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 23 december 2008, aangevuld op 9 januari 2008, bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 7 mei 2009 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit (hierna: Besluit I) heeft eiser bij brief van 6 juli 2009, aangevuld op 4 augustus 2009, beroep ingesteld.
(09/2135)
Bij besluit van 14 mei 2009 heeft verweerder onder verlening van ontheffing op de voet van artikel 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) in verbinding met artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) bouwvergunning verleend voor het plaatsen van 17 m2 onderheide bestrating op het perceel.
Tegen dit besluit (hierna: Besluit II) heeft eiser bij brief van 23 juni 2009, aangevuld op 24 juli 2009, (rechtstreeks) beroep ingesteld.
((09/2343 en 09/2135)
Verweerder heeft bij brief van 27 januari 2010 een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2010. Eiser was aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T. Ruis.
2 Overwegingen
09/2343
Per 1 juli 2008 is de Wro in werking getreden.
Ingevolge artikel 9.1.11, tweede lid, van de Invoeringswet Wro blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing ten aanzien van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WRO, waarvan het verzoek is ingediend voor dat tijdstip.
Ingevolge artikel 9.5.1 Invoeringswet Wro blijft de Woningwet zoals die gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing ten aanzien van een besluit omtrent een bouwvergunning als bedoeld in artikel 40 vanPro de Woningwet waarvan de aanvraag is ingekomen voor dat tijdstip.
Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet zoals deze luidde tot 1 juli 2008, en voor zover hier van belang, mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.
Ingevolge artikel 19, derde lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders eveneens vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen.
Ingevolge artikel 20, eerste lid, onder c, van het Bro 1985 komen voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de wet in aanmerking: een bouwwerk, geen gebouw zijnde, waarvan het bruto-vloeroppervlak niet groter is dan 25 m².
09/2135
De aanvragen om ontheffing en bouwvergunning zijn ingediend na 1 juli 2008. Gelet op het onder 09/2343 vermelde overgangsrecht is het recht van toepassing zoals dat per deze datum geldt.
Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet, mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met, voor zover hier van belang, een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.
Ingevolge artikel 3.23, eerst lid, van de Wro kunnen burgemeester en wethouders ten behoeve van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen ontheffing verlenen van het bestemmingsplan.
Ingevolge artikel 4.1.1, eerste lid, van het Bro komen voor de toepassing van artikel 3.23, eerste lid, van de Wro in aanmerking, kort weergegeven:
a. een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woning;
(…)
d. een bouwwerk, geen gebouw zijnde:
1e. waarvan het bruto oppervlak niet groter is dan 50 m², en
2e. dat gemeten vanaf het aansluitende terrein niet hoger is dan 10 m.
09/2135 en 09/2343
Ter zitting heeft eiser desgevraagd verklaard dat zijn voornaamste bezwaar tegen de vergunde bouwwerken hierin bestaat, dat voor het beoogde gebruik ten behoeve van het parkeren van auto’s op het perceel een polystyreen combinatievloer, zoals opgenomen in de bij de aanvragen behorende bouwtekeningen, niet noodzakelijk is. Eiser vreest dat vergunninghouder de onderhavige vergunningverlening zal aangrijpen om wederom te trachten op het perceel een garage te realiseren.
Blijkens de uitspraak van de Afdeling van 19 mei 2004 (LJN AO9693) dient de door vergunninghouder op zijn perceel aangebrachte constructie, bestaande in geslagen heipalen waarop een gewapend betonnen fundering is gestort, te worden aangemerkt als een bouwwerk in de zin van de Woningwet, waarvoor een bouwvergunning is vereist.
De rechtbank stelt voorop dat verweerder had te beslissen op de aanvragen, zoals deze zijn ingediend. Dit brengt met zich dat de vraag of met de ingewilligde aanvragen de reeds gerealiseerde bouwwerken volledig worden gelegaliseerd noch de vraag of vergunninghouder in de toekomst andere bouwplannen wenst te realiseren, in deze gedingen ter beoordeling staan.
De rechtbank stelt vast dat verweerder eerder een verzoek van vergunninghouder om bouwvergunning en vrijstelling voor het oprichten van een garage op zijn perceel heeft afgewezen. Deze afwijzing is in bezwaar gehandhaafd. Het beroep van de vergunninghouder is door de rechtbank ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) heeft in haar uitspraak van 25 januari 2006 (LJN AV0271), de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder verklaard dat verweerder handhavend zal optreden, indien vergunninghouder zonder ontheffing en bouwvergunning een garage op zijn perceel zal realiseren. In dit licht is de rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat verweerder in het kader van de besluiten tot vrijstelling en ontheffing aan het belang van eiser onvoldoende gewicht heeft gehecht. De rechtbank heeft in dit verband voorts mede in aanmerking genomen dat eiser ter zitting heeft verklaard tegen het parkeren van auto’s op het perceel als zodanig geen bezwaren te hebben.
Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat de aanvragen en de bestreden besluiten voldoende duidelijk zijn. Ter zitting is de rechtbank ook gebleken dat eiser exact bekend is met de aanvragen, de bestreden besluiten en de bouwwerken. Het enkele feit dat hij, in verband met zijn vrees voor toekomstige realisering van een garage, van mening is dat vergunninghouder geheel nieuwe aanvragen had moeten indienen en niet gebruik had mogen maken van bouwtekeningen die eerder zijn gebruikt bij de aanvraag om vergunning ten behoeve van de garage, maakt niet dat verweerder onterecht heeft beslist op de aanvragen zoals deze zijn gedaan.
De rechtbank stelt ambtshalve vast dat in besluit II is vermeld dat ontheffing wordt verleend op grond van artikel 3:23 vanPro de Wro in verbinding met het bepaalde in artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bro. Het gestelde ‘onder a’ in dat artikel ziet op een uitbreiding van een woning dan wel een bijgebouw bij een woning. Het onderhavige bouwplan voorziet daar niet in. De rechtbank ziet hierin een kennelijke verschrijving, zodat geen reden bestaat om het beroep gegrond te verklaren. Uit de stukken, waaronder het besluit van 17 december 2008 inzake handhaving waarin verweerder een concreet zicht op legalisering aanwezig acht onder meer door toepassing van het bepaalde in artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder d, van het Bro, alsmede uit de voorgeschiedenis van de onderhavige gedingen, blijkt naar het oordeel van de rechtbank onmiskenbaar dat verweerder aan zijn besluitvorming het bepaalde in artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder d, van het Bro ten grondslag heeft gelegd. Voorts is niet gebleken van enige verwarring bij eiser over de grondslag van de ontheffing.
De rechtbank is verder van oordeel dat hier geen sprake is van een zogenoemde niet toegestane cumulatie van vrijstelling op grond van de Bro 1985 en ontheffing op grond van het Bro. In dat verband overweegt de rechtbank dat in het Bro 1985 de mogelijkheid was opgenomen om voor een bouwplan vrijstelling te verlenen tot een bruto oppervlakte van 25 m2 en in het Bro thans is voorzien in de mogelijkheid ontheffing te verlenen voor een oppervlakte van 50 m2. De beide bouwplannen tezamen beslaan een oppervlakte van minder dan 50 m2. Gelet hierop was verweerder bevoegd om de ontheffing op deze grondslag te verlenen.
Uit het bovenstaande volgt dat de beroepen ongegrond zijn.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
3 Beslissing
De rechtbank,
recht doende:
verklaart de beroepen ongegrond.
Aldus gedaan door mr. H. Bedee, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A..Th.A.M. Schouw, griffier.
De griffier: De rechter:
Uitgesproken in het openbaar op: 26 april 2010.
Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.