ECLI:NL:RBROT:2010:BM3455
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek vergoeding griffiekosten gemachtigde na intrekking beroep cliënten
Eiser, gemachtigde van cliënten, verzocht vergoeding van griffiekosten die hij in een eerdere bestuursrechtelijke beroepsprocedure voor zijn cliënten had voorgeschoten. Cliënten trokken het beroep echter zonder medeweten van eiser in en introkken tevens diens volmacht. Eiser stelde dat hij daardoor niet tijdig op de hoogte was om de kosten tegelijk met de intrekking te vorderen.
De rechtbank overwoog dat eiser geen zelfstandig belang had bij de procedure en niet als indiener van het beroepschrift kan worden aangemerkt. De wettelijke regeling voor vergoeding van griffiekosten ziet op de indiener van het beroepschrift, hier cliënten, niet op de gemachtigde. Bovendien was het beroep ingetrokken zonder dat verweerder geheel of gedeeltelijk aan de indiener was tegemoetgekomen, een vereiste voor vergoeding.
De rechtbank concludeerde dat het verzoek tot vergoeding een civielrechtelijke kwestie is tussen eiser en zijn voormalige cliënten. Verweerder heeft de vergoeding terecht geweigerd en het beroep van eiser is ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard omdat hij geen zelfstandig belang had en niet als indiener van het beroepschrift wordt beschouwd.