ECLI:NL:RBROT:2010:BM9586
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- E.F.C. Francken
- L.A.C. Nifterick
- J.L.M. Boek
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid en rechtmatigheid last onder dwangsom AFM wegens misleidende omissie bij obligatieaanbiedingen
De rechtbank Rotterdam behandelde beroepen van vier TRE-vennootschappen tegen door de Autoriteit Financiële Markten (AFM) opgelegde lasten onder dwangsom wegens het niet verstrekken van essentiële informatie aan obligatiehouders. De vennootschappen boden verhandelbare obligaties aan ter financiering van vastgoedprojecten in Turkije, maar hielden volgens AFM cruciale informatie achter, wat een misleidende omissie vormt in de zin van de Wet handhaving consumentenbescherming (Whc) en het Burgerlijk Wetboek (BW).
De rechtbank oordeelde dat AFM bevoegd was om de lasten onder dwangsom op te leggen, ook nadat overeenkomsten waren gesloten, en dat de achtergehouden informatie essentieel was voor de gemiddelde belegger. De rechtbank verwierp de stellingen van de vennootschappen dat de bevoegdheid van AFM beperkt zou zijn of dat de informatie niet essentieel was. Tevens werd geoordeeld dat AFM de bevoegdheid tot openbaarmaking van de lasten onder dwangsom terecht had uitgeoefend, ondanks mogelijke reputatieschade.
De beroepen werden ongegrond verklaard en de rechtbank zag geen aanleiding tot veroordeling in proceskosten. De uitspraak bevestigt het belang van transparantie en consumentenbescherming bij het aanbieden van financiële producten.
Uitkomst: De beroepen van de TRE-vennootschappen tegen de door AFM opgelegde lasten onder dwangsom worden ongegrond verklaard.