ECLI:NL:RBROT:2010:BN0986
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Cooijmans
- Fiege
- Hes-Bakkeren
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid aannemer voor schade door ongeschikte grondbevriezingsmaterialen
In deze civiele zaak staat de aansprakelijkheid centraal van HV en haar onderaannemer Max Bögl jegens de Gemeente Rotterdam voor schade ontstaan bij grondbevriezingswerkzaamheden voor de uitbreiding van een metrostation. HV voerde het werk uit, waarbij het bevriezingsproces aanvankelijk mislukte door het gebruik van het materiaal Dämmer, dat niet geschikt bleek voor de toepassing. De Gemeente had herstelkosten gemaakt en vorderde deze terug van HV, die op haar beurt ook Max Bögl aansprakelijk stelde.
De rechtbank stelt vast dat HV verantwoordelijk was voor de keuze en geschiktheid van het groutmateriaal, conform de UAV 1989 en het Burgerlijk Wetboek. Het bestek en de Specificaties Grondbevriezen stelden randvoorwaarden, maar lieten de uiteindelijke engineering aan HV over. De gebruikte Dämmer was niet voorgeschreven door de Gemeente en ook niet goedgekeurd volgens de voorgeschreven procedure, waardoor HV aansprakelijk is voor de schade door het mislukte bevriezingsproces.
De vordering van HV tegen de Gemeente wordt afgewezen omdat HV tekort is geschoten. De vordering tegen Max Bögl wordt aangehouden voor nadere processtukken en conclusies, aangezien Max Bögl als onderaannemer dezelfde verplichtingen draagt als HV. De rechtbank wijst erop dat Max Bögl de gelegenheid krijgt om haar verweer nader te onderbouwen. De beslissing over de proceskosten wordt aangehouden tot een later moment.
Uitkomst: De vordering van HV tegen de Gemeente wordt afgewezen en de beslissing over de vordering tegen Max Bögl wordt aangehouden.