ECLI:NL:RBROT:2010:BN2836
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Frankruijter
- Reinds
- De Doelder
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs seksuele handelingen met geestelijk beperkte persoon
De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen de verdachte die werd beschuldigd van het plegen van seksuele handelingen met een persoon met een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. De tenlastelegging omvatte primair het seksueel binnendringen, subsidiair poging daartoe, meer subsidiair ontuchtige handelingen en meest subsidiair het dwingen tot ontuchtige handelingen.
Uit het dossier bleek dat het slachtoffer een IQ tussen 35 en 50 heeft en functioneert op het niveau van een zesjarige. Echter, de rechtbank oordeelde dat dit niet automatisch betekent dat het slachtoffer niet in staat was haar wil te bepalen of weerstand te bieden tegen seksuele handelingen. Het slachtoffer had een relatie, werd als zelfstandig persoon gekenmerkt en had seksuele voorlichting ontvangen.
De rechtbank vond onvoldoende bewijs dat sprake was van psychische weerloosheid zoals vereist voor een veroordeling op grond van de artikelen 243 en 247 Sr. Ook het verzoek van de officier van justitie om het onderzoek ter terechtzitting te heropenen werd afgewezen omdat het niet aan de rechtbank is om nader onderzoek te gelasten als de officier van justitie dit niet vooraf heeft gedaan.
Ten aanzien van het meest subsidiaire feit, het dwingen tot ontuchtige handelingen, stelde de rechtbank vast dat hoewel er sprake was van seksuele handelingen en geestelijk overwicht, dit niet voldoende was om dwang aan te nemen. De verdachte werd daarom vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten en het bevel tot voorlopige hechtenis werd opgeheven.
Uitkomst: De verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van psychische weerloosheid van het slachtoffer.