ECLI:NL:RBROT:2010:BN3566
Rechtbank Rotterdam
- Kort geding
- C. van Steenderen - Koornneef
- Rechtspraak.nl
Verbod voortzetting dienstverband wegens schending non-concurrentiebeding
Noba vordert in kort geding dat gedaagde sub 3 wordt verboden om in strijd met een overeengekomen non-concurrentiebeding bij gedaagde sub 1 te werken, en dat het dienstverband tussen gedaagde sub 1 en sub 3 wordt beëindigd. De voorzieningenrechter stelt vast dat het non-concurrentiebeding rechtsgeldig is en dat gedaagde sub 3 dit heeft overtreden door in dienst te treden bij een bedrijf dat gelijksoortige activiteiten verricht als Noba.
Daarnaast oordeelt de rechter dat gedaagde sub 1 onrechtmatig handelt jegens Noba door bewust gebruik te maken van de wanprestatie van gedaagde sub 3, onder meer doordat gedaagde sub 3 relaties van Noba benadert. De vordering tot verbod van voortzetting van het dienstverband wordt toegewezen, met oplegging van dwangsommen van respectievelijk € 500 per dag voor gedaagde sub 1 en € 3.000 per dag voor gedaagde sub 3, gemaximeerd op € 50.000 en € 300.000.
De eis in reconventie van gedaagde sub 3 wordt buiten beschouwing gelaten wegens schending van het procesreglement kort gedingen. De vordering tot betaling van boetes door gedaagde sub 3 wordt afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang. Gedaagde sub 1 en sub 3 worden veroordeeld in de kosten van het geding.
Uitkomst: Het dienstverband tussen gedaagde sub 1 en gedaagde sub 3 wordt verboden voortgezet wegens schending van het non-concurrentiebeding, met oplegging van dwangsommen.