ECLI:NL:RBROT:2010:BN4076
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging franchiseovereenkomst en matiging verschuldigd entreegeld wegens onvoorziene omstandigheden
De zaak betreft een geschil tussen Holland Labour Group B.V. (HLG) en een franchisenemer over de betaling van het entreegeld na voortijdige beëindiging van een franchiseovereenkomst. De overeenkomst liep van 10 december 2008 tot 10 december 2009 met een aspirantstatus die na het eerste jaar zou worden beoordeeld. Het entreegeld van € 5.000 exclusief BTW was verschuldigd bij ondertekening of kon worden verrekend met marges uit gerealiseerde omzet.
De franchisenemer beëindigde de samenwerking begin april 2009 wegens het uitblijven van noemenswaardige omzet. HLG vorderde betaling van het entreegeld plus incassokosten en wettelijke rente. De franchisenemer voerde verweer dat het entreegeld nog niet opeisbaar was, dat HLG tekort was geschoten in haar verplichtingen, en dat het bedrag van het entreegeld niet in verhouding stond tot de geleverde prestaties, met een subsidiair verzoek tot matiging op grond van onvoorziene omstandigheden.
De rechtbank stelde vast dat het entreegeld opeisbaar werd op 7 januari 2010, vier weken na afloop van de contractperiode, en dat er geen omzet was gerealiseerd om verrekening mogelijk te maken. Hoewel HLG tekort was geschoten in de vestigingsplaatsbescherming, had de franchisenemer geen schade onderbouwd. De rechtbank oordeelde dat het ontbreken van omzet een onvoorziene omstandigheid was die een matiging van het entreegeld rechtvaardigde. Gezien de beperkte prestaties van HLG en de voortijdige beëindiging matigde de rechtbank het verschuldigde bedrag tot € 2.500 exclusief BTW. Incassokosten werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De wettelijke rente werd toegewezen vanaf 8 januari 2010.
Uitkomst: Franchisenemer is veroordeeld tot betaling van de helft van het entreegeld met wettelijke rente, incassokosten afgewezen.