ECLI:NL:RBROT:2010:BN8788
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot wraking van de meervoudige strafkamer in megazaak
In een megazaak die in meerdere blokken werd behandeld, diende de raadsman van verdachte een verzoek tot wraking in tegen de leden van de meervoudige strafkamer. Het verzoek was gebaseerd op de stelling dat de kamer in eerdere blokken al beslissingen had genomen zonder de verdachte en zijn raadsman te horen, wat een objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid zou opleveren.
De wrakingskamer heeft het verzoek inhoudelijk beoordeeld en vastgesteld dat het verzoek in eerdere blokken niet op dezelfde wijze was behandeld als gesteld en dat de kamer bij elk blok een afzonderlijke afweging maakt. Tevens werd geoordeeld dat het feit dat rechters in vergelijkbare gevallen eerder een beslissing hebben genomen, geen schending van onpartijdigheid inhoudt.
Ook de klacht over het uitblijven van een reactie van de voorzitter op een grievende opmerking van de officier van justitie werd niet als reden voor wraking geaccepteerd. De voorzitter hoeft niet op te treden ter bescherming van persoonlijke belangen van raadslieden.
Daarom werd geconcludeerd dat er geen objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid bestaat en het wrakingsverzoek werd afgewezen. De beslissing werd op 30 september 2010 door de rechtbank Rotterdam, meervoudige strafkamer, uitgesproken.
Uitkomst: Het verzoek tot wraking van de meervoudige strafkamer is afgewezen wegens het ontbreken van een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid.