ECLI:NL:RBROT:2010:BN9325
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering wegens onvoldoende bewijs onrechtmatige daad bij ladingschade tijdens zeevervoer
Rolls-Royce Noorwegen c.s. vorderden schadevergoeding van Holland Maas wegens verlies en beschadiging van lading tijdens zeevervoer van Vigo naar Rotterdam en verder naar Cochin. De lading bestond uit propeller equipment geladen op een flat rack container. Holland Maas werd verweten onvoldoende zorg te hebben betracht, met name door het nalaten van adequate controle en het laden van onvoldoende zeevast gesjoren goederen.
Holland Maas betwistte de vorderingen, onder meer met het argument dat Rolls-Royce Noorwegen c.s. niet ontvankelijk zijn en dat onvoldoende is gesteld dat zij vorderingsgerechtigd zijn. Tevens werd betwist dat het verlies en de beschadiging het gevolg waren van onrechtmatig handelen van Holland Maas. De rechtbank oordeelde dat de eiswijziging van Rolls-Royce Noorwegen c.s. toelaatbaar was, maar dat de feitelijke grondslag onvoldoende concreet en gemotiveerd was om de vordering te dragen.
De rechtbank paste het toepasselijke recht toe volgens de Wet conflictenrecht onrechtmatige daad (Wcod), waarbij het recht van Gibraltar werd aangemerkt als lex loci delicti. Uit de feiten bleek dat Holland Maas niet wist of behoorde te weten dat de sjorringen nog ondeugdelijk waren bij het laden op de HMS Navigator. Ook het algemene verwijt van onvoldoende zorg werd onvoldoende onderbouwd. Daarom werden de vorderingen afgewezen en werden Rolls-Royce Noorwegen c.s. veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van Rolls-Royce Noorwegen c.s. af wegens onvoldoende bewijs van onrechtmatig handelen door Holland Maas.