ECLI:NL:RBROT:2010:BO3803
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- De Pauw Gerlings-Döhrn
- Verweij
- Hattinga Verschure
- Rechtspraak.nl
Veroordeling voor invoer van circa 1610 gram cocaïne via postzendingen vanuit Costa Rica
De rechtbank Rotterdam heeft op 11 november 2010 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte, die werd verdacht van het invoeren van ongeveer 1610 gram cocaïne in Nederland via postzendingen vanuit Costa Rica. De verdachte had adressen van familieleden en bekenden doorgegeven aan de afzender in Costa Rica, die de pakketten met cocaïne naar deze adressen liet verzenden.
De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte betrokken was bij het binnenbrengen van de cocaïne in Nederland in de periode van 26 juni tot en met 6 juli 2009. Dit werd onder meer vastgesteld aan de hand van forensisch onderzoek, getapte telefoongesprekken en verklaringen van getuigen. De verdachte had opzet op de invoer en leverde een essentiële bijdrage door het verzamelen en doorgeven van adressen.
De verdediging voerde aan dat er onvoldoende bewijs was voor de invoer en dat de uitvoeringshandeling buiten de tenlastegelegde periode viel. Dit verweer werd verworpen, mede op basis van het arrest van de Hoge Raad van 2 juni 1992. De rechtbank oordeelde dat de strafbare handeling mede bestond uit het laten verzenden van de drugs.
Gelet op de ernst van het feit, de hoeveelheid cocaïne en eerdere veroordelingen van de verdachte, legde de rechtbank een gevangenisstraf op van 8 maanden. Hierbij werd rekening gehouden met eerdere straffen en het reclasseringsadvies. De verdachte werd vrijgesproken van meer of anders ten laste gelegde feiten.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden voor het invoeren van circa 1610 gram cocaïne.