ECLI:NL:RBROT:2010:BO4039
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot vervallenverklaring en opheffing erfdienstbaarheid wegens belangenafweging
Eiseres vordert primair een verklaring voor recht dat de erfdienstbaarheid door een nadere definiëring in de akte van 1988 is komen te vervallen. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de Haviltex-norm, waarbij de partijbedoeling uit de akte wordt afgeleid. De rechtbank oordeelt dat de erfdienstbaarheid niet is komen te vervallen omdat dit niet in de akte is opgenomen, de erfdienstbaarheid een zakelijk recht is dat niet afhankelijk is van het persoonlijk gebruiksrecht, en de erfdienstbaarheid niet is doorgehaald in het Kadaster. Ook de koopakte uit 2003 bevestigt het voortbestaan van de erfdienstbaarheid.
Subsidiair vordert eiseres opheffing van de erfdienstbaarheid op grond van artikel 5:79 BW Pro wegens het ontbreken van een redelijk belang van gedaagden bij de uitoefening ervan, terwijl zij zelf belang heeft bij opheffing. De rechtbank weegt de belangen af en stelt vast dat het door eiseres aangevoerde belang van veiligheid niet haar belang is maar dat van gedaagden. Het financiële belang bij verkoop en lagere prijs is onvoldoende onderbouwd. Gedaagde 1 heeft een zwaarwegend belang bij handhaving omdat hij de achterzijde van zijn woning en de fietsschuur alleen via het perceel van eiseres kan bereiken, wat ook invloed heeft op de waarde van zijn woning.
De rechtbank concludeert dat de belangen van gedaagden zwaarder wegen en wijst zowel de primaire als subsidiaire vordering af. Eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is gewezen door mr. F. Aukema-Hartog.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen tot vervallenverklaring en opheffing van de erfdienstbaarheid af en veroordeelt eiseres in de proceskosten.