ECLI:NL:RBROT:2010:BO4689

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 november 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 10/1462 BC-T2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • T. Damsteegt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 6:18 AwbWet financiële dienstverlening
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen weigering AFM tot volledige vermindering van onherroepelijke heffing afgewezen

Eiseres, Stichting Belangen Investeerders PG 201, heeft bezwaar gemaakt tegen een door AFM opgelegde heffing over 2006. Na eerdere procedures waarbij bezwaar en beroep ongegrond werden verklaard, verzocht eiseres AFM terug te komen van het onherroepelijke heffingsbesluit. AFM heeft de heffing reeds drastisch verminderd middels een creditfactuur, maar weigerde het verzoek tot volledige vermindering op grond van artikel 4:6 Awb Pro, omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden (nova) waren aangevoerd.

De rechtbank oordeelt dat de stelling van eiseres dat een latere uitspraak als novum moet gelden faalt. De rechtbank benadrukt dat de discussie over de (on)verbindendheid van de algemeen verbindende voorschriften waarop de heffing is gebaseerd, tijdig had moeten worden aangevoerd in eerdere procedures. Het verzoek om terug te komen van het onherroepelijke besluit kan niet worden gebruikt om deze discussie alsnog volledig voor de bestuursrechter te voeren.

Bijzondere omstandigheden die een uitzondering op deze regel rechtvaardigen zijn niet aanwezig. De rechtbank houdt rekening met de reeds drastische vermindering van de heffing door AFM en verklaart het beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. Eiseres kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van AFM om niet volledig tegemoet te komen aan het verzoek tot terugkomen van de onherroepelijke heffing wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Sector Bestuursrecht
Enkelvoudige kamer
Reg.nr.: AWB 10/1462 BC-T2
Uitspraak in het geding tussen
Stichting Belangen Investeerders PG 201, gevestigd te Oud-Beijerland, eiseres,
en
Stichting Autoriteit Financiële Markten, verweerster (hierna: AFM),
gemachtigde mr. J.S. Roepnarain, advocaat te Amsterdam.
1 Ontstaan en loop van de procedure
Bij besluit van 11 maart 2010 heeft AFM het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 26 november 2009 ongegrond verklaard.
Tegen het bestreden besluit heeft eiseres beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2010. Namens eiseres zijn verschenen [A], bestuurder van eiseres, en [B]. AFM heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.
2 Overwegingen
2.1 AFM heeft eiseres bij factuur van 28 december 2006 een heffing opgelegd van
€ 78.600,- wegens kosten van doorlopend toezicht uit hoofde van de Wet financiële dienstverlening over het jaar 2006. Bij besluit van 16 juni 2008 heeft AFM het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding bij het maken van bezwaar. Het beroep daartegen heeft de rechtbank bij uitspraak van 12 augustus 2009 (LJN BJ5769) ongegrond verklaard. Eiseres heeft in die uitspraak berust.
2.2 Tussentijds heeft AFM op 12 november 2007 een creditfactuur strekkende tot creditering van € 52.450,- geadresseerd aan eiseres op een adres te Dordrecht.
2.3 Eiseres heeft AFM bij brief van 28 augustus 2009 AFM verzocht terug te komen van het besluit van 28 december 2006. Bij besluit van 26 november 2009 heeft AFM eiseres bericht dat met de creditfactuur van 12 november 2007 de heffing is teruggebracht tot
€ 26.150,-, zodat reeds tegemoet is gekomen aan het verzoek van eiseres de heffing vast te stellen op basis van de hoogte van de ingelegde gelden. Voor zover eiseres ook die heffing bestrijdt heeft AFM (analoog) toetsend aan artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vastgesteld dat eiseres geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden – ook wel nova genoemd – aan haar verzoek ten grondslag heeft gelegd, zodat zij geen aanleiding heeft gezien het verzoek in te willigen. Met het bestreden besluit heeft AFM het besluit van 26 november 2009 gehandhaafd.
2.4 Eiseres stelt dat zij de creditfactuur van 12 november 2007 niet heeft ontvangen omdat dit naar een verkeerd adres is verzonden. Gelet op de adressering van die factuur kan de rechtbank deze stelling onderschrijven. De rechtbank merkt voorts op dat AFM die factuur blijkbaar niet heeft ingebracht in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van de rechtbank van 12 augustus 2009, terwijl die factuur onmiskenbaar kwalificeert als een besluit in de zin van artikel 6:18 van Pro de Awb. Nu de creditfactuur van 12 november 2007 niet bekend is gemaakt, doch eiseres eerst met het besluit van 26 november 2009 is bericht dat de oorspronkelijke heffing is teruggebracht tot € 26.150,-, ziet de rechtbank aanleiding het besluit van 26 november 2009 aan te merken als beslissing tot vermindering van de eerdere onherroepelijke heffing, terwijl het bestreden besluit strekt tot handhaving van die beslissing.
2.5 Eiseres meent dat de heffing nog verder dient te worden teruggebracht. Zij betoogt in dit verband dat het oordeel van de rechtbank in haar uitspraak van 12 augustus 2009 ten aanzien van de heffing over 2007 als een novum dient te gelden.
2.6 Met AFM is de rechtbank van oordeel dat dit betoog faalt. Op zichzelf kunnen uit een latere uitspraak wel feiten blijken die nog niet bekend waren ten tijde van het onherroepelijk worden van het besluit 28 december 2006, maar daarvan is thans geen sprake. Eiseres doet namelijk een beroep op de rechtsoverwegingen in die uitspraak die zien op de (on)verbindendheid van de algemeen verbindende voorschriften waarop de heffing is gebaseerd. Die kwestie zou inzet zijn geweest van het beroep tegen de oorspronkelijke besluitvorming inzake de heffing over 2006 indien eiseres tijdig bezwaar zou hebben gemaakt. Met het verzoek terug te komen van die onherroepelijke besluitvorming kan zij niet bereiken dat alsnog ten overstaan van de bestuursrechter deze discussie (ten volle) wordt gevoerd.
2.7 Bijzondere omstandigheden die met zich brengen dat de rechtbank in haar beoordeling ook buiten de vraag of nova zijn gesteld dient te treden doen zich niet voor. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat AFM de heffing drastisch heeft verminderd.
2.8 Het beroep is derhalve ongegrond.
2.9 Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.
3 Beslissing
De rechtbank,
recht doende:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gedaan door mr. T. Damsteegt, rechter, in tegenwoordigheid van mr. drs. R. Stijnen, griffier.
De griffier: De rechter:
Uitgesproken in het openbaar op: 18 november 2010.
Afschrift verzonden op:
Een belanghebbende – onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen – en AFM kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.