ECLI:NL:RBROT:2010:BO5205
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Wraking toegewezen wegens schijn van vooringenomenheid door afwijzing nader sporenonderzoek
In deze zaak heeft de verdediging tijdens de strafzitting verzocht om nader onderzoek van op tape aangetroffen haren, omdat dit belastende of ontlastende informatie kan opleveren. Hoewel het NFI een versneld onderzoek uitvoerde, werd het verzoek tot aanvullend onderzoek door de strafkamer afgewezen met de motivering dat geen relevante nieuwe informatie te verwachten was.
De wrakingskamer oordeelde dat deze afwijzing onbegrijpelijk was, vooral gezien het eerdere oordeel van de strafkamer dat onderzoek naar de tape noodzakelijk was. Door het verzoek zonder duidelijke motivering af te wijzen, wekte de strafkamer de schijn geen belang te hechten aan mogelijk ontlastende resultaten, wat de objectief gerechtvaardigde vrees vooringenomenheid bij de verdachte rechtvaardigt.
Hierdoor werd het wrakingsverzoek gegrond verklaard en toegewezen. De beslissing benadrukt het belang van een eerlijke behandeling en het vermijden van elke schijn van partijdigheid in strafzaken.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt toegewezen wegens de schijn van vooringenomenheid door het onbegrijpelijk afwijzen van nader sporenonderzoek.