ECLI:NL:RBROT:2010:BO8457
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Van den Hurk
- Van Nijen
- Den Hollander
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van gewoontewitwassen en onverklaarbaar vermogen
De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het plegen van gewoontewitwassen tussen 2001 en 2006, onder meer door het verwerven en overdragen van geldbedragen, auto’s en woningen waarvan werd vermoed dat deze uit misdrijf afkomstig waren.
De officier van justitie eiste twaalf maanden gevangenisstraf, deels voorwaardelijk, en verbeurdverklaring van een woning. De verdediging voerde onder meer aan dat de dagvaarding onvoldoende specifiek was en dat gegevens van het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties (MOT) onrechtmatig waren verkregen en uitgesloten moesten worden.
De rechtbank oordeelde dat de dagvaarding, in samenhang met het dossier, voldoende duidelijk was, maar verklaarde de term ‘voorwerpen’ in de tenlastelegging nietig wegens onduidelijkheid. De MOT-melding werd uitgesloten van het bewijs omdat deze niet op een redelijk vermoeden van misdrijf was gebaseerd. Verder stelde de rechtbank vast dat onvoldoende was bewezen dat sprake was van onverklaarbaar vermogen of dat het vermogen niet aan de belastingdienst was opgegeven.
De verklaringen van verdachte en zijn familieleden werden als geloofwaardig beoordeeld, en de Surinaamse Deviezenwetgeving waarop de officier zich deels baseerde, werd niet als geldig en actueel aangemerkt. De rechtbank sprak verdachte vrij wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs en hief het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van witwassen en onverklaarbaar vermogen.