ECLI:NL:RBROT:2010:BO9854
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter-commissaris wegens vermeende vooringenomenheid
In deze strafzaak verzocht de verdachte wraking van de rechter-commissaris die het verhoor van een belangrijke getuige zou leiden. De verdachte wilde het verhoor bijwonen en vragen stellen, maar de rechter-commissaris wees dit af met verwijzing naar artikel 186a, lid 2, van het Wetboek van Strafvordering, omdat dit in het belang van het onderzoek was.
De verdachte stelde dat deze weigering de schijn van partijdigheid wekte en dat de rechter-commissaris vooringenomen was. De rechtbank heeft het griffiedossier bestudeerd, de schriftelijke reacties van de rechter-commissaris ontvangen en de zitting gehouden waarbij de raadsman van de verdachte en de officier van justitie aanwezig waren.
De rechtbank oordeelde dat een onwelgevallige beslissing van een rechter op zichzelf geen grond voor wraking is, tenzij deze zo onbegrijpelijk is dat er zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid zijn. De verwijzing van de rechter-commissaris naar artikel 186a, lid 2, WvSv was niet onbegrijpelijk en rechtvaardigde geen vermoeden van vooringenomenheid.
Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen en bleef de rechter-commissaris belast met de behandeling van het getuigenverhoor. De verdachte had tijdens de zitting afstand gedaan van zijn recht om aanwezig te zijn. De beslissing werd op 6 december 2010 uitgesproken door de meervoudige kamer voor wrakingszaken van de rechtbank Rotterdam.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter-commissaris wordt afgewezen wegens ontbreken van zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid.