ECLI:NL:RBROT:2010:BP2476
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid vordering wegens overlijden eiser en proceskostenveroordeling derde
De rechtbank Rotterdam behandelde een civiele zaak waarin eiser een vordering instelde tegen gedaagde. Uit een akte bleek dat eiser reeds vóór de dagvaarding was overleden. Gedaagde stelde dat eiser niet ontvankelijk moest worden verklaard en verzocht op grond van artikel 245 Rv Pro om proceskosten ten laste van de gevolmachtigde die namens eiser optrad.
De gevolmachtigde stelde dat zijn volmacht ook na het overlijden van eiser geldig was en dat hij inmiddels ook een volmacht van de erfgenamen had. De rechtbank oordeelde echter dat de volmacht door het overlijden van eiser was geëindigd en dat de procedure was ingesteld door een partij die in rechte niet bestond.
Daarom werd eiser niet ontvankelijk verklaard in zijn vordering. De rechtbank wees het verzoek om een herstelexploot af en veroordeelde de gevolmachtigde in de proceskosten, omdat hij wist van het overlijden en dit niet met de advocaat had besproken. De advocaat werd niet in de kosten veroordeeld vanwege het ontbreken van verwijtbaarheid.
De proceskosten aan de zijde van gedaagde werden begroot op €3.148,= en de veroordeling werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Eiser wordt niet ontvankelijk verklaard wegens overlijden en de gevolmachtigde wordt veroordeeld in de proceskosten.